ECLI:NL:RBNHO:2023:14168

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
29 april 2024
Zaaknummer
10755086 WM
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArtikel 14 WAHVArtikel 61a Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op boete voor vasthouden mobiel elektronisch apparaat tijdens rijden

Betrokkene is een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Hij betwist dit en stelt dat hij een afstandsmeter vasthield, geen mobiele telefoon. Op de zitting verklaarde betrokkene dat de afstandsmeter op het middenconsole lag en slechts kort werd vastgepakt om cijfers te controleren.

De verbalisant verklaarde echter dat hij betrokkene duidelijk een mobiele telefoon in de hand zag houden, wat leidde tot de bekeuring. De rechtbank weegt de verklaring van de verbalisant zwaar, aangezien deze in WAHV-zaken in beginsel voldoende bewijs vormt, tenzij betrokkene met concrete feiten twijfel zaait.

Betrokkene heeft onvoldoende feiten aangevoerd om de verklaring van de verbalisant te betwisten. Bovendien erkent de rechtbank dat de afstandsmeter een bluetoothfunctie heeft en gegevens kan verzenden naar een mobiele telefoon, waardoor deze ook onder de definitie van een mobiel elektronisch apparaat valt.

Daarom is de boete terecht opgelegd en ziet de rechtbank geen reden tot matiging. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden wordt ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 10755086 \ WM VERZ 23-674
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 15 december 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 december 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. Betrokkene stelt dat zijn telefoon in de houder zat en hij deze er niet uit heeft gehaald. Betrokkene voert aan dat hij veel op de weg zit en van zijn werkgever geavanceerde voice gestuurde apparatuur in zijn auto heeft gekregen. Betrokkene stelt verder, met verwijzing naar de toegevoegde foto, dat hij wel een afstandsmeter in zijn hand had. Op de zitting voert betrokkene aan dat de afstandsmeter op het middenconsole lag en hij deze tijdens het rijden even heeft vastgepakt om op de afstandsmeter cijfers na te kijken. Betrokkene geeft aan dat de verbalisant tijdens de staandehouding specifiek zei dat betrokkene een mobiele telefoon vast had. Het stuit mij tegen de borst dat de verbalisant zo stellig was, terwijl het niet klopt. Het valt misschien wel onder een mobiel elektronisch apparaat, maar het is geen mobiele telefoon zoals de verbalisant beweerde, aldus betrokkene.
De officier van justitie heeft een aanvullend proces-verbaal laten opmaken door de verbalisant. In dit aanvullend proces-verbaal is het volgende vermeld:
“…Op 16 maart 2022, omstreeks 11.40 uur, bevond ik mij op de Parallelweg te Den Helder. Ik stond daar ter hoogte van de inrit van de NS medewerkers. Ik stond hier op ongeveer vijf meter van de weg. De inrit is net een stukje hoger dan de doorgaande weg, de Parallelweg. Hierdoor heb ik goed zicht in de auto’s die voorbij rijden.
Op dat moment zag ik betrokkene voor bij rijden in zijn personenauto. Ik zag dat betrokkene een telefoon vast had in zijn rechterhand. Ik zag dit aan de vorm van de telefoon en de grote van het schermpje. Daarop heb ik betrokkene laten stoppen en ben ik met hem in gesprek gegaan. Betrokkene verklaarde toen dat hij geen telefoon vast had gehouden, maar een afstandsmeter. Ik zag dat hij ook de meter liet zien. Ik zag dat dit niet overeen kwam met wat ik kort daarvoor had gezien. Daarop heb ik betrokkene een bekeuring aangezegd.
Ik controleer regelmatig op bovenstaand locatie en bij twijfel zet de voertuigen nooit aan de kant…”.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de specifieke verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In WAHV-zaken biedt de verklaring van een verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Dit is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring van de verbalisant dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Betrokkene heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Overigens is de kantonrechter van oordeel dat ook al zou wel komen vast te staan dat betrokkene een afstandsmeter vasthield tijdens het rijden, dit de zaak niet anders zou maken. Immers heeft betrokkene desgevraagd ter zitting toegelicht dat de door hem vastgehouden afstandsmeter een bluetoothfunctie heeft en de mogelijkheid om gegevens of informatie te verzenden naar een mobiele telefoon. Daarmee heeft de afstandsmeter een overdrachtsfunctie en valt deze ook onder de definitie van een mobiel elektronisch apparaat. Dit betekend dat ook het tijdens het rijden vasthouden van een afstandsmeter een verboden gedraging oplevert. [1]
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D.M. Hazeu, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending:

Voetnoten

1.Artikel 61a van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990.