AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken volmacht in bestuursrechtelijke belastingzaak
Eiser stelde beroep in tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken 2022 met betrekking tot een object in een Nederlandse gemeente. Bij brief van 24 maart 2023 werd eiser verzocht een schriftelijke machtiging te overleggen om het beroep namens hem te mogen instellen. Deze brief werd op 25 maart 2023 door de beweerdelijk gemachtigde ontvangen.
De beweerdelijk gemachtigde overhandigde een e-mail met opdracht tot bezwaar, maar leverde geen volmacht voor de beroepsfase aan. Volgens artikel 8:24, tweede lid, Awb, is het verplicht een machtiging te tonen indien iemand anders dan een advocaat beroep instelt. Omdat eiser het verzuim niet binnen de gestelde termijn herstelde, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 AwbPro.
Daarnaast verzocht eiser om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat de termijn niet was overschreden en wees dit verzoek af. Er werd geen aanleiding gezien tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 13 september 2023 door rechter B. van Walderveen in Haarlem uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een volmacht en het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/2212
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(beweerdelijk gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad.
Procesverloop
Eiser bij brief van 10 februari 2023 tegen de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2023, inzake de beschikking Wet waardering onroerende zaken 2022, inzake het object [adres] te [woonplaats] , beroep ingesteld.
Eiser heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken/brieven ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 29 augustus 2023 te Haarlem. Namens eiser heeft zijn beweerdelijk gemachtigde de zitting bijgewoond via een beeld- en geluidsverbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [naam] .
Overwegingen
Feiten
1. De griffier heeft eiser bij brief van 24 maart 2023 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van die brief een schriftelijke machtiging aan de rechtbank te sturen. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 25 maart 2023 is afgehaald van een PostNL locatie en dat voor de ontvangst is getekend.
2. Bij brief van 7 april 2023 heeft de beweerdelijk gemachtigde een e-mail van eiser, met daarin de opdracht tot het maken van bezwaar overgelegd. Er is daarbij geen volmacht voor de beroepsfase overgelegd.
Beoordeling van het geschil
3. Iemand - niet zijnde een advocaat - die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 vanPro de Awb niet-ontvankelijk verklaren, mits de rechtbank de indiener in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen.
4. Vast staat dat de beweerdelijk gemachtigde de bovengenoemde brief van 24 maart 2023 op 25 maart 2023 heeft ontvangen. Een volmacht waaruit blijkt dat de beweerdelijk gemachtigde beroep voor eiser mag instellen is niet overgelegd. Eiser heeft het verzuim dus niet binnen de gestelde termijn hersteld. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig overleggen van de volmacht verontschuldigbaar is te achten. Hetgeen door de beweerdelijk gemachtigde ter zitting is verklaard is niet als zodanig aan te merken.
5. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek tot vergoeding van immateriële schade
6. In het beroep heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift werd door verweerder op 9 maart 2022 ontvangen. De redelijke termijn is niet overschreden en dit betekent dat het verzoek tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen.
Proceskosten
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk en
- wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van N.E. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).