AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid Nederlandse rechter en compensatie bij vluchtvertraging Amsterdam-Guayaquil
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten voor een vlucht van Amsterdam via Londen en Miami naar Guayaquil op 24 november 2021. De vlucht van Miami naar Guayaquil was vertraagd, waarop de passagier haar vorderingsrecht aan Airhelp heeft gecedeerd. Airhelp vordert compensatie van de vervoerder op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder betwist de vordering en de Nederlandse rechter moet beoordelen of zij bevoegd is. De rechtbank stelt vast dat de vervoerder in de Verenigde Staten is gevestigd en geen woonplaats in Nederland heeft. De bevoegdheid wordt daarom getoetst aan artikel 6 RvPro. Omdat de vluchten in één boeking zijn gekocht, geldt Schiphol als vertrekpunt en daarmee is de Nederlandse rechter bevoegd volgens het Rehder-arrest.
De rechtbank veroordeelt de vervoerder tot betaling van wettelijke rente over €300 vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag van compensatiebetaling. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over €300 vanaf 24 november 2021 tot 23 maart 2022, met ieder partij draagt eigen proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9912323 \ CV EXPL 22-3169
Uitspraakdatum: 15 maart 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiser
hierna te noemen: Airhelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
American Airlines Inc.gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer
1.Het procesverloop
1.1.
Airhelp heeft bij dagvaarding van 16 mei 2022 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Airhelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.
2.De feiten
2.1.
[de passagier] (hierna: de passagier) heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan zij diende te worden vervoerd van Amsterdam Schiphol Airport via Londen Heathrow Airport (Verenigd Koninkrijk) en Miami International Airport (Verenigde Staten) naar Jose Joaquin de Olmedo Airport Guayaquil (Ecuador) op 24 november 2021.
2.2.
De vlucht AA 1483 van Miami naar Guayaquil (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd.
2.3.
De passagier heeft haar (vermeende) vorderingsrecht aan Airhelp gecedeerd.
2.4.
Airhelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
3.De vordering en het verweer
3.1.
Airhelp vordert – na vermindering van eis – dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van: - de wettelijke rente over € 300,00 vanaf 24 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Airhelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 vanPro de Verordening tot een bedrag van € 300,00. De compensatie is inmiddels voldaan.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4.De beoordeling
4.1.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft dient in de eerste plaats te worden gekeken naar de bepalingen van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), hierna: Brussel I bis. Uitgangspunt is dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. In artikel 63 BrusselPro I bis is bepaald dat rechtspersonen voor de toepassing van de verordening woonplaats hebben op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging. In dit geval is de vervoerder gevestigd in Wilmington in de Verenigde Staten en heeft deze dus geen woonplaats in een lidstaat. Op grond van artikel 6 vanPro Brussel I bis geldt dan dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht. Brussel I bis biedt ook geen alternatieve bevoegdheidsgrond. Daarbij is van belang dat sprake is van een vervoerovereenkomst en dat uit artikel 17 lid 3 vanPro de Brussel I bis-Verordening volgt dat afdeling 4 (betreffende de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten) niet van toepassing is op vervoerovereenkomsten.
4.2.
Op grond van artikel 2 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats van een rechtspersoon is ingevolge artikel 1:10 lid 2 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) daar waar hij zijn statutaire zetel heeft. Vast staat dat de statutaire zetel van de vervoerder is gelegen in Wilmington (Verenigde Staten), zodat hij op grond van artikel 1:10 lid 2 BWPro geen woonplaats heeft in Nederland als bedoeld in artikel 2 RvPro. Evenmin is gebleken dat de vervoerder op grond van artikel 1:14 BWPro mede woonplaats heeft te Schiphol. De kantonrechter kan dan ook geen bevoegdheid ontlenen aan voornoemde artikelen.
4.3.
Op grond van artikel 6, aanhef en sub a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6a aanhef en sub b Rv is voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Ook een luchtvervoerovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot verstrekking van diensten. Als de plaats van verstrekking van diensten geldt zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van de vlucht (zie HvJ 9 juli 2009, C-204/08, NJ 2013/314 (Rehder) en HvJ 7 maart 2018, gevoegde zaken C-274/16, C-447/16 en C-448/16, ECLI:EU:C:2018:160, NJ 2018/190 (flightright GmbH)).
4.4.
In geschil is wat in dit geval als ‘plaats van vertrek’ moet worden aangemerkt. De vervoerder betoogt dat dit Londen is. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de vervoerder meent dat de vlucht van Amsterdam naar Londen als een afzonderlijke vervoersdienst moet worden aangemerkt. De kantonrechter volgt dit niet. Airhelp heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vluchten in één boeking (met reserveringsnummer 27PRNJ) zijn aangekocht. Dit betekent dat in het onderhavige geval het eerste gedeelte van de vlucht als rechtstreekse aansluiting onderdeel is geworden van het traject Amsterdam – Guayaquil en dat Amsterdam als vertrekpunt heeft te gelden. Gelet op het voorgaande volgt uit artikel 6, aanhef en onder a Rv dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu Amsterdam als plaats van vertrek heeft te gelden en daarmee, gelet op het Rehder-arrest, als plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt dit overigens ook gelijk het aanknopingspunt voor de relatieve bevoegdheid. Nu in Amsterdam slechts de luchthaven Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) gelegen is, kan alleen de rechtbank Noord-Holland relatief bevoegd zijn.
4.5.
Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt de kantonrechter dat niet is gebleken dat deze reeds is betaald. Airhelp heeft wettelijke rente gevorderd met ingang “vanaf datum vlucht”. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade gelet op artikel 6:83 sub b BWPro terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 24 november 2021 (zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming is aangekomen) tot 23 maart 2022 (zijnde de datum waarop de compensatie door Airhelp is ontvangen).
4.6.
Vast staat dat de vervoerder de compensatie voor de eerst dienende dag heeft voldaan. De kantonrechter ziet in deze situatie aanleiding om de proceskosten te compenseren die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan Airhelp van de wettelijke rente over € 300,00 vanaf 24 november 2021 tot 23 maart 2022;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.