ECLI:NL:RBNHO:2023:1907

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
6 maart 2023
Zaaknummer
HAA 22/6224
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6 RVV 1990Art. 10 lid 1 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening onbeperkt gebruik motorvoertuig fiets- en bromfietspad

Verzoeker woont op een woonboot aan een straat met een fiets- en bromfietspad, waarvan verweerder wegbeheerder is. Verweerder heeft een ontheffing verleend om met een motorvoertuig het pad te gebruiken, maar met voorwaarden waaronder vooraf melding en activering van een pas nodig zijn.

Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om onbeperkt zonder voorafgaande melding het pad te mogen gebruiken. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij deze voorziening, omdat hij zijn woonboot ook lopend of per fiets kan bereiken en met de ontheffing na melding ook met de auto kan komen.

Daarnaast is de toegang voor hulpdiensten gegarandeerd en kan verzoeker in nood een noodnummer bellen om de palen te bedienen. Daarom is het verzoek afgewezen en is het beroep op de spoedeisendheid niet gegrond.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor onbeperkt gebruik van het fiets- en bromfietspad met een motorvoertuig is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/6224

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Amsterdam,
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verweerder
gemachtigden: J.E. Olthof en M. Galema, ambtenaren in dienst van het hoogheemraadschap.

Zitting

De voorzieningenrechter heeft een verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen een besluit tot verlening aan hem van een ontheffing om met een motorvoertuig over een fiets- en bromfietspad naar zijn woonboot te rijden op 14 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Inleiding

In het besluit van 24 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een ontheffing verleend van de verkeersregel van artikel 10, eerste lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens, RVV 1990, om als bestuurder van een motorvoertuig niet een rijbaan maar het fiets- en bromfietspad naar zijn woonboot te mogen gebruiken. De ontheffing wordt verleend met inachtneming van de bij dit besluit behorende algemene en bijzondere voorwaarden. Om van de ontheffing gebruik te kunnen maken, dient verzoeker met een pas beweegbare palen aan het begin van het fiets- en bromfietspad te bedienen.
In het besluit van 30 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 5 december 2022 heeft verweerder de voorwaarden om met behulp van een pas toegang te krijgen tot het fiets- en bromfietspad aangepast.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
2. Eiser woont in een woonboot aan de [straat] te [plaats] . Op de [straat] loopt een fiets- en bromfietspad. Verweerder is de wegbeheerder van het fiets- en bromfietspad. Verweerder heeft in november 2022 (beweegbare) palen geplaatst aan uiteinden van het fiets- en bromfietspad waardoor het fysiek onmogelijk is gemaakt om met een motorvoertuig (auto) het fiets- en bromfietspad te gebruiken. Voordien had verweerder aan verzoeker reeds de ontheffing verleend.
3. De voorzieningenrechter constateert dat op de [straat] in [plaats] een fiets- en bromfietspad ligt en dat verzoeker (uitsluitend) over het fiets- en bromfietspad toegang heeft tot zijn woonboot, zodat verzoeker gelet op de artikelen 6 en 10 van het RVV 1990 niet met een motorvoertuig (auto) zijn woonboot mag bereiken. Bij de bestreden besluiten heeft verzoeker toestemming gekregen om met zijn auto bij zijn woonboot te komen. Om gebruik te kunnen maken van de ontheffing en de pas om de beweegbare palen te bedienen, dient verzoeker vooraf het voorgenomen gebruik te melden, waarna verweerder de pas – voor een beperkte periode – activeert. Daarnaast heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de woonboten aan de [straat] altijd bereikbaar zijn voor hulpdiensten en dat verzoeker in geval van calamiteiten een noodnummer kan bellen om de paaltjes te laten bedienen.
4. Gelet op de feiten en omstandigheden concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij een voorziening die meebrengt dat hij in afwachting van de behandeling van het beroep onbeperkt – dat wil zeggen telkens zonder melding bij verweerder of aanvraag vooraf – met een motorvoertuig het fiets- en bromfietspad op de [straat] kan gebruiken. Hij kan immers zijn woonboot steeds ongehinderd lopend of per fiets bereiken en hij kan met de ontheffing – na melding en toestemming vooraf – ook met een auto zijn woonboot bereiken. Zijn wens om in geval van nood direct ongehinderd zijn woonboot te kunnen bereiken, acht de voorzieningenrechter, gelet op de onbestreden mededeling van verweerder dat hulpdiensten steeds direct toegang hebben en verzoeker in geval van nood ook zo nodig direct met een motorvoertuig toegang kan krijgen, onvoldoende om een voorziening te treffen. De kansrijkheid van het beroep, wat daar ook van zij, kan daarom onbesproken blijven.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2023 door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.