Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[gedaagde/eiser1],
[gedaagde/eiser2],
[gedaagde/eiser3],
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde een geschil tussen erfgenamen over de verdeling van de nalatenschap van hun vader en een bewijsopdracht omtrent een vermeende schenkingsovereenkomst tussen de moeder en een imam.
In een tussenvonnis was aan de erfgenamen opgedragen te bewijzen dat de moeder een schenking van € 12.500 aan de imam had gedaan, bedoeld voor een moskee en jongerenorganisaties in Turkije. Deze bewijsopdracht is niet geslaagd, omdat de verklaring van de imam slechts bevestigde dat bedragen als gift waren gegeven, maar niet dat dit op grond van een schenkingsovereenkomst was gebeurd.
De rechtbank oordeelde dat het bedrag van € 12.500 onderdeel is van de nalatenschap, die nu € 74.869 bedraagt. Omdat de vorderingen van de erfgenamen op de nalatenschap groter zijn dan het saldo, moet het gehele saldo worden gebruikt voor afbetaling. Iedere erfgenaam ontvangt daarom € 18.717,25 als aflossing op zijn vordering.
De rechtbank bepaalde dat eerst aan de eiser een bedrag van € 18.717,25 wordt betaald, waarna de overige erfgenamen het resterende saldo gebruiken voor hun vorderingen. Proceskosten worden gedragen door iedere partij zelf, gezien de familierelatie. Vernietigingsvorderingen en aanvullende legitieme portie werden niet toegewezen wegens het ontbreken van een vordering.
Uitkomst: De rechtbank wijst de bewijsopdracht af en bepaalt de wijze van afbetaling uit de nalatenschap aan de erfgenamen.