ECLI:NL:RBNHO:2023:2140

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 maart 2023
Publicatiedatum
10 maart 2023
Zaaknummer
C/15/324556 / HA ZA 22-79
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling nalatenschap en bewijsopdracht schenkingsovereenkomst niet geslaagd

De rechtbank Noord-Holland behandelde een geschil tussen erfgenamen over de verdeling van de nalatenschap van hun vader en een bewijsopdracht omtrent een vermeende schenkingsovereenkomst tussen de moeder en een imam.

In een tussenvonnis was aan de erfgenamen opgedragen te bewijzen dat de moeder een schenking van € 12.500 aan de imam had gedaan, bedoeld voor een moskee en jongerenorganisaties in Turkije. Deze bewijsopdracht is niet geslaagd, omdat de verklaring van de imam slechts bevestigde dat bedragen als gift waren gegeven, maar niet dat dit op grond van een schenkingsovereenkomst was gebeurd.

De rechtbank oordeelde dat het bedrag van € 12.500 onderdeel is van de nalatenschap, die nu € 74.869 bedraagt. Omdat de vorderingen van de erfgenamen op de nalatenschap groter zijn dan het saldo, moet het gehele saldo worden gebruikt voor afbetaling. Iedere erfgenaam ontvangt daarom € 18.717,25 als aflossing op zijn vordering.

De rechtbank bepaalde dat eerst aan de eiser een bedrag van € 18.717,25 wordt betaald, waarna de overige erfgenamen het resterende saldo gebruiken voor hun vorderingen. Proceskosten worden gedragen door iedere partij zelf, gezien de familierelatie. Vernietigingsvorderingen en aanvullende legitieme portie werden niet toegewezen wegens het ontbreken van een vordering.

Uitkomst: De rechtbank wijst de bewijsopdracht af en bepaalt de wijze van afbetaling uit de nalatenschap aan de erfgenamen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/324556 / HA ZA 22-79
Vonnis van 8 maart 2023(bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser/verweerder],
wonende te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M.A. Kanning te Haarlem,
tegen

1.[gedaagde/eiser1],

2.
[gedaagde/eiser2],
3.
[gedaagde/eiser3],
allen wonende te [woonplaats],
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. J.F.M. Kappé te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser/verweerder] en [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 november 2022
- de akte na tussenvonnis van [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3]
- de akte op antwoordakte van [eiser/verweerder].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.
Gelet op de verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.
2.2.
In het tussenvonnis van 23 november 2022 (verder: het tussenvonnis) heeft de rechtbank [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] opgedragen te bewijzen dat tussen moeder en de imam een schenkingsovereenkomst bestaat, inhoudende dat moeder een bedrag van € 12.500,- aan de imam zou schenken, welk bedrag vervolgens door de imam zou worden verdeeld tussen een moskee en jongerenorganisaties in Turkije.
2.3.
[gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] zijn niet geslaagd in het aan hen opgedragen bewijs. Uit de door hen overgelegde verklaring van de imam volgt weliswaar dat [gedaagde/eiser1] namens zijn moeder op 6 april 2018 twee bedragen aan de imam heeft gegeven als gift, maar niet dat dit gebeurde ter uitvoering van een schenkingsovereenkomst tussen zijn moeder en de imam. De imam heeft zelfs verklaard dat de handeling is uitgevoerd naar aanleiding van het testament van erflaatster. Over de gestelde schenkingsovereenkomst spreekt de imam met geen woord.
2.4.
In het tussenvonnis is al overwogen dat [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] het bedrag van € 12.500,- aan de nalatenschap moeten terugbetalen als zij niet slagen in het opgedragen bewijs. [eiser/verweerder] heeft bij zijn laatste akte gesteld dat het bedrag geheel aan hem toekomt, omdat [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] dit tot de nalatenschap behorende bedrag opzettelijk hebben verzwegen en/of verborgen gehouden en/of hebben zoekgemaakt. Dit standpunt van [eiser/verweerder] wordt niet gevolgd. Nergens uit blijkt dat [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] het bedrag opzettelijk hebben verzwegen, hebben verborgen gehouden of hebben zoekgemaakt. De overboeking is gewoon terug te vinden op de bankafschriften van erflaatster. De rechtbank sluit niet uit dat erflaatster aan [gedaagde/eiser1] opdracht heeft gegeven om het bedrag aan de imam te schenken, maar – anders dan [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] kennelijk dachten – na het overlijden kan aan die opdracht geen uitvoering meer worden gegeven zonder de medewerking van alle erfgenamen.
2.5.
Het voorgaande leidt samen met de beslissingen in het tussenvonnis tot de conclusie dat de nalatenschap van erflaatster nu nog € 74.869,-- (€ 62.369,- + € 12.500,-) groot is. Hoewel partijen van mening verschillen over de hoogte van hun vorderingen op de nalatenschap vanwege de wettelijke verdeling van de nalatenschap van hun vader, staat wel vast dat het totaal van deze vorderingen groter is dan het saldo van de nalatenschap. Dit betekent dat het gehele saldo gebruikt moet worden om op die vorderingen af te betalen. Elke erfgenaam moet daarom uit de nalatenschap een bedrag van € 18.717,25 ontvangen als aflossing op ieders vordering op de nalatenschap vanwege de wettelijke verdeling van de nalatenschap van hun vader. Er blijft dan in de nalatenschap niets meer over om te verdelen.
2.6.
Met verwijzing naar rechtsoverweging 5.4. van het tussenvonnis zal de rechtbank bepalen dat uit de nalatenschap eerst het bedrag van € 18.717,25 aan [eiser/verweerder] moet worden betaald. Het saldo dat daarna overblijft kunnen [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] gebruiken om af te betalen op hun vorderingen op de nalatenschap. [gedaagde/eiser1], [gedaagde/eiser2] en [gedaagde/eiser3] hebben daarbij de keuze om het bedrag van € 12.500,- eerst in de nalatenschap terug te brengen en daarna aan ieder van hen € 18.717,25 uit te betalen, of om het bedrag van € 12.500,- te voldoen door verrekening en het restant zo uit te keren dat ieder van hen met inachtneming van de verrekening per saldo € 18.717,25 ontvangt.
2.7.
[eiser/verweerder] heeft zich bij akte na antwoordakte nog op het standpunt gesteld dat de schenkingen aan [gedaagde/eiser3] en [gedaagde/eiser1] vernietigbaar zijn op grond van artikel 3:45 BW Pro, omdat door de schenkingen de mogelijkheid tot verhaal van [eiser/verweerder] van zijn vordering uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van zijn vader deels is gefrustreerd. Het betoog van [eiser/verweerder] kan onbesproken blijven, want hij heeft geen vernietigingsvordering ingesteld tegen [gedaagde/eiser3] en [gedaagde/eiser1].
2.8.
Om vergelijkbare reden blijft ook het betoog van [eiser/verweerder] dat hij aanspraak heeft gemaakt op zijn aanvullende legitieme en dat hij een beroep heeft gedaan op inkorting verder onbesproken. [eiser/verweerder] heeft namelijk geen vordering tot betaling van zijn (aanvullende) legitieme portie ingesteld.
2.9.
De proceskosten worden zo gecompenseerd dat iedereen de eigen kosten draagt, omdat partijen familie van elkaar zijn.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
bepaalt dat uit het saldo van de nalatenschap wordt afbetaald op de vorderingen van de erfgenamen vanwege de wettelijke verdeling van de nalatenschap van hun vader, op de wijze als hiervoor onder randnummer 2.6 is bepaald;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat iedereen de eigen kosten draagt;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op
8 maart 2023. [1]

Voetnoten

1.type: 1589