Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2023:2218

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
14 maart 2023
Zaaknummer
C/15/334465 / FA RK 22-5706
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening (Eu) 2019/1111Art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag vader over minderjarige wegens verblijf in buitenland en contactproblemen

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen een minderjarig kind. Na de echtscheiding bleef het gezamenlijk gezag over het kind bestaan, waarbij de moeder de hoofdverblijfplaats heeft. De vader verblijft in het buitenland en wisselt regelmatig van telefoonnummer, waardoor contact met hem nauwelijks mogelijk is. Dit belemmert het gezamenlijk nemen van belangrijke beslissingen over het kind, zoals schoolkeuze en medische zorg.

De moeder draagt momenteel volledig zorg voor het kind en ondervindt praktische problemen door de afwezigheid van de vader, bijvoorbeeld bij het vernieuwen van reisdocumenten. De vader wenst afstand te doen van het gezag en heeft al ruim een jaar geen contact met het kind. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden zijn gewijzigd en dat het gezamenlijk gezag niet langer houdbaar is. Er is een onaanvaardbaar risico dat het kind klem komt te zitten tussen de ouders en dat noodzakelijke beslissingen niet tijdig genomen kunnen worden. Daarom wordt het gezamenlijk gezag beëindigd en wordt het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan door partijen binnen drie maanden na uitspraak worden bestreden door hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag over het minderjarige kind wordt beëindigd en de moeder krijgt het eenhoofdig gezag toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/334465 / FA RK 22-5706
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 14 maart 2023
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. F. Uzumcu, kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
en
[de man]
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F. Uzumcu, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoek, met bijlagen, van de vrouw en de man, ingekomen op 28 november 2022.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 februari 2023 in aanwezigheid van de vrouw en de advocaat van partijen. Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 7 juli 2021.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] . Het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] is na de echtscheiding in stand gebleven. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de vrouw.
2.3.
De man heeft de Griekse nationaliteit. De vrouw en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3. Het verzoek
3.1.
Het verzoek van partijen strekt tot wijziging van het gezag over [de minderjarige] , in die zin dat voortaan het gezag over [de minderjarige] alleen aan de vrouw toekomt.
3.2.
Partijen stellen ter onderbouwing van hun verzoek het volgende. De vrouw is volledig belast met de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De man wenst afstand te doen van het ouderlijk gezag. Hij heeft zich volledig onttrokken aan de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en heeft al ruim een jaar geen contact met hem. De vrouw en [de minderjarige] ondervinden geregeld problemen door de afwezigheid van de man, zoals bij het verkrijgen van machtigingen voor het vernieuwen van reisdocumenten, bij beslissingen rondom scholing en bij het kunnen reizen.
3.3.
Op de zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat de man in Georgië verblijft en dat het steeds erg lang duurt voordat zij contact met hem kan krijgen als dat nodig is. Zij weet niet precies waar de man is en hij neemt telkens een nieuw telefoonnummer. De laatste keer dat partijen contact met elkaar hebben gehad was vier maanden geleden, aldus de vrouw.

4.De Raad

De Raad heeft op de zitting gezegd het verzoek te steunen. Het is belangrijk dat de vrouw in staat is beslissingen over [de minderjarige] te nemen, ook als zij de man niet kan bereiken, aldus de Raad.

5.De beoordeling

5.1.
De gewone verblijfplaats van [de minderjarige] is in Nederland. Op grond van artikel 7 van Pro Verordening (Eu) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II ter) is de Nederlandse rechter daarom bevoegd kennis te nemen van het verzoek van partijen. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing.
5.2.
Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.3.
Niet in geschil is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW.
5.4.
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.5.
De rechtbank stelt vast de vrouw op dit moment alle zorg voor de kinderen draagt. Er is nauwelijks contact mogelijk met de man omdat hij in het buitenland verblijft en wisselt van telefoonnummer, en daarmee onvoldoende om op een behoorlijke wijze in gezamenlijk overleg belangrijke beslissingen over [de minderjarige] te kunnen nemen. Daarom ontbreekt de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag van de ouders. Daarmee bestaat het risico dat de beslissingen over de [de minderjarige] , bijvoorbeeld over de schoolkeuze of medisch handelen, niet in het vereiste tempo genomen kunnen worden. De moeder loopt momenteel al tegen praktische problemen op, zoals bij het vernieuwen van reisdocumenten van [de minderjarige] voor een vakantie. Er zijn geen aanwijzingen dat de vrouw de man in de nabije toekomst weer makkelijker zal kunnen bereiken om te overleggen over [de minderjarige] .
5.6.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de vrouw overeenkomstig het verzoek met het eenhoofdig gezag zal worden belast.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wordt beëindigd en dat de vrouw alleen het gezag over hem toekomt;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.L. Grosheide, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Leertouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2023.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.