ECLI:NL:RBNHO:2023:2518

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
C/15/334461 / FA RK 22-5702
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke zorgregeling en aanhouding beslissing kinderbijdrage na verwijzing naar Uniform Hulpaanbod

Partijen, die van 2008 tot augustus 2021 een affectieve relatie hadden, hebben twee minderjarige kinderen met gezamenlijk gezag. De hoofdverblijfplaats is bij de vrouw. Op 26 oktober 2021 is een ouderschapsplan opgesteld met afspraken over zorg en kosten.

De man verzoekt een zorgregeling waarbij de kinderen om de week wisselen met overdracht op zondagmiddag, en een kinderbijdrage van €590 tot €690 per maand. De vrouw verzet zich en vraagt om afwijzing van de verzoeken, of subsidiair een zorgregeling met verblijf eens in de veertien dagen en een lagere kinderbijdrage.

Op de zitting van 14 maart 2023 zijn partijen overeengekomen om via het lokale team van de gemeente en het Uniform Hulpaanbod te werken aan verbetering van de oudercommunicatie en geschiloplossing. De rechtbank stelt een tijdelijke zorgregeling vast waarbij de kinderen eens in de twee weken van vrijdag tot maandag bij de man verblijven.

De beslissing over de zorgregeling en kinderbijdrage wordt aangehouden tot 14 september 2023, waarbij partijen schriftelijk moeten rapporteren over het hulptraject en de tijdelijke regeling. De rechtbank zal daarna de verdere procedure bepalen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een tijdelijke zorgregeling vast en houdt de beslissing over zorgregeling en kinderbijdrage aan tot na het hulptraject.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zorgregeling, kinderbijdrage
zaak-/rekestnr.: C/15/334461 / FA RK 22-5702
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 21 maart 2023
in de zaak van:
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. H.I. Park, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. H. Ruder, kantoorhoudende te Alkmaar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 17 november 2022;
- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 26 januari 2023.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 maart 2023 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben van 2008 tot augustus 2021 een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedataum] in de gemeente [gemeente] , en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedataum] in de gemeente [gemeente] .
De man heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erkend. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de vrouw.
2.3.
Partijen hebben op 26 oktober 2021 een ouderschapsplan ondertekend. Hierin zijn onder andere de volgende afspraken opgenomen:
  • De man heeft de ene week beide kinderen op vrijdag tot en met maandag, de andere week op donderdag. De vakanties worden zo goed mogelijk eerlijk verdeeld.
  • De totale kinderkosten worden verdeeld door de man en de vrouw. De man zal ongeveer 80% voor zijn rekening nemen, en daarmee € 750 per maand aan de vrouw overmaken. De vrouw legt de andere 20% bij, wat neerkomt op € 187,50 per maand.

3.De beoordeling

De verzoeken
3.1.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat de kinderen de ene week bij hem en de andere week bij de vrouw zijn, waarbij het overdrachtsmoment plaatsvindt op primair zondagmiddag om 16.00 uur en subsidiair op donderdagmiddag uit school, en dat de feestdagen en vakanties bij helfte worden verdeeld, althans een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank juist acht. De man verzoekt ook een door hem aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vast te stellen van primair € 590 per maand en subsidiair € 690 per maand.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man. Primair meent zij dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Subsidiair verzoekt zij te bepalen dat de man een kinderbijdrage van € 347 per kind per maand aan haar dient te voldoen, met ingang van de datum van deze beschikking. Zij verzoekt zelfstandig een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van donderdagmiddag uit school tot maandag 19.00 uur bij de man verblijven en de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
3.3.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw.
Uniform Hulpaanbod
3.4.
Op de zitting zijn partijen overeengekomen om, door middel van verwijzing door het lokale team van de gemeente in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA), te werken aan de oudercommunicatie met als doel om hun geschil op te lossen. In afwachting van de resultaten van het hulptraject zal de rechtbank de beslissing over de zorgregeling en de kinderbijdrage aanhouden.
Tijdelijke zorgregeling
3.5.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over een tijdelijke zorgregeling. De rechtbank acht de overeengekomen tijdelijke regeling in het belang van de kinderen en zal deze vaststellen. De rechtbank zal de advocaten van partijen verzoeken de rechtbank schriftelijk te berichten over het verloop van de tijdelijke regeling.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt, totdat nader wordt beslist, de volgende
tijdelijkezorgregeling vast:
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot maandag 19.00 uur bij de man;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
houdt de beslissing over de zorgregeling en de kinderbijdrage aan tot 14 september 2023 PRO FORMA en verzoekt de advocaten van partijen de rechtbank schriftelijk te berichten over de resultaten van de in het kader van het Uniform Hulpaanbod in te zetten hulpverlening, het verloop van de tijdelijke zorgregeling, en de daaraan te verbinden gevolgen;
4.4.
bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk op 7 september 2023 door de rechtbank ontvangen dient te zijn en wijst er op dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Leertouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2023.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.