AirHelp vordert compensatie namens passagiers voor een vlucht van Alicante naar Amsterdam die meer dan drie uur vertraging had. De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk mist en beperkingen door luchtverkeersleiding tijdens een eerdere vlucht in de rotatie.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de vervoerder aannemelijk heeft gemaakt dat de vertraging voortkomt uit buitengewone omstandigheden die niet vermijdbaar waren, mede gebaseerd op het arrest Wallentin-Hermann. Tevens wordt bevestigd dat deze omstandigheden kunnen doorwerken naar latere vluchten in een rotatie, mits er een causaal verband is.
De kantonrechter vindt dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken, waaronder het voorkomen van annulering en het tijdig laten vertrekken van de eerdere vlucht. AirHelp's stelling dat onvoldoende buffer was ingebouwd, wordt verworpen op grond van jurisprudentie.
De vordering tot compensatie wordt daarom afgewezen en AirHelp wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter S.N. Schipper.