Partijen, een man en een vrouw die een affectieve relatie hadden, zijn betrokken bij een kort geding over de zorgregeling voor hun minderjarige kind. De man vordert dat de vrouw haar medewerking verleent aan een eerder vastgestelde zorgregeling en verzoekt om een dwangsom bij niet-nakoming. De vrouw verzet zich hiertegen en vordert tevens een wijziging van de zorgregeling en een kinderbijdrage.
Tijdens de zitting bereiken partijen overeenstemming over een gewijzigde voorlopige zorgregeling waarbij het kind de ene week van woensdag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur en de andere week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, met ophalen en terugbrengen door de man. De voorzieningenrechter stelt deze regeling vast, omdat het belang van het kind zich hier niet tegen verzet.
De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt afgewezen omdat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat de vrouw de zorgregeling niet vrijwillig zal nakomen. Partijen verklaren bereid te zijn hun communicatie te verbeteren met deskundige begeleiding. De kinderbijdrage wordt voorlopig vastgesteld op €50 per maand met ingang van het vonnis.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen vier weken worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam.