ECLI:NL:RBNHO:2023:2960

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 maart 2023
Publicatiedatum
31 maart 2023
Zaaknummer
10037379 \ CV EXPL 22-4682
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Restitutie vliegtickets na annulering vlucht geweigerd wegens onjuiste vordering

De passagiers sloten een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Marokko die werd geannuleerd. Zij vorderden restitutie van de vliegtickets en bijkomende kosten conform EU-Verordening 261/2004. Na dagvaarding betaalde de vervoerder het ticketbedrag.

De vervoerder betwistte de hoogte van de vordering en stelde dat het volledige bedrag reeds was betaald. De passagiers konden dit niet weerleggen, waardoor de hoofdsom werd vastgesteld op het daadwerkelijk betaalde bedrag. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De kantonrechter veroordeelde de vervoerder tot betaling van proceskosten en nakosten aan de passagiers, verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Vordering tot restitutie van het hogere bedrag en incassokosten afgewezen; proceskosten en nakosten toegewezen aan passagiers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10037379 \ CV EXPL 22-4682
Uitspraakdatum: 22 maart 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[passagier sub 1] ,

2.
[passagier sub 2]beiden wonende te [woonplaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. R. Bos
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca (Marokko) en mede kantoorhoudende te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. T. Teke

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 28 juli 2022 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Al Hoceim- Charif Al Idrissi Airport (Marokko) op 29 juli 2020 met vlucht AT621, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht is geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben restitutie van de vliegtickets van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder is op 26 augustus 2022 tot betaling overgegaan.

3.De vordering en het verweer

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.569,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 dagen na de annulering, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 235,49 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de nakosten.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is tot restitutie van de vliegtickets binnen zeven dagen na annulering van de vlucht conform artikel 5 lid 1 sub a in Pro samenhang met artikel 8 lid 1 sub a van Pro de Verordening.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder betwist de hoogte van de hoofdsom en heeft daartoe aangevoerd dat de passagiers met nog zeven anderen naar Marokko zouden reizen. De gehele reissom bedroeg € 3.139,92. De passagiers hebben slechts € 842,48 betaald (productie twee bij conclusie van antwoord). Het is voor de vervoerder onduidelijk waarom de passagiers de helft van de ticketprijzen (€ 3.139,92 : 2 = € 1.569,96‬) hebben gevorderd. De vordering ligt om die reden voor afwijzing gereed, aldus de vervoerder. Bovendien heeft de vervoerder aangevoerd dat hij de gehele reissom op 26 augustus 2022 heeft gerestitueerd (productie 5 bij conclusie van antwoord). De passagiers hebben het voornoemde niet betwist, zodat de vordering van de passagiers wordt afgewezen.
4.3.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom van € 842,48 is toewijsbaar tot 26 augustus 2022.
4.4.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De passagiers hebben hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.5.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat de vervoerder na dagvaarding (te weten op 26 augustus 2022) is overgegaan tot restitutie. De passagiers hebben derhalve de vervoerder terecht in rechte betrokken. De hoogte van de verschuldigde proceskosten wordt vastgesteld aan de hand van de Liquidatietarieven Kanton. Hierbij wordt gekeken naar de hoofdsom, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Nu de passagiers niet hebben weersproken dat zij € 842,48 hebben betaald voor de vliegtickets, wordt over dit bedrag het liquidatietarief berekend. De gevorderde rente over de proceskosten is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
4.6.
Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 125,03;
griffierecht € 244,00;
salaris gemachtigde € 264‬,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 99,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter