ECLI:NL:RBNHO:2023:3278
Rechtbank Noord-Holland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ontbreken klachtgerechtigde bij verduistering
In deze strafzaak stond de verdachte terecht wegens verduistering van geld van haar vader over een periode van bijna zeven jaar. Na het overlijden van de vader diende de broer van de verdachte een klacht in, maar de vader zelf had geen aangifte willen doen.
De officier van justitie stelde dat vervolging alleen mogelijk is indien de klacht afkomstig is van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd, hier de vader of diens gerechtigde kinderen, tenzij blijkt dat de vader geen vervolging wenste. De raadsvrouw van de verdachte onderschreef dit standpunt en benadrukte dat de vervolging als een natrap voelde.
De politierechter oordeelde dat de klacht van de broer niet aan de vervolging ten grondslag kan worden gelegd omdat de vader geen aangifte wilde doen en er geen aanwijzingen zijn dat hij vervolging wenste. Op grond van artikel 316 en Pro 324 Sr in samenhang met artikel 64-66 Sr werd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. De verdachte werd vrijgesteld van verdere vervolging.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het ontbreken van een geldige klacht van de klachtgerechtigde.