Eiser, woonachtig bij een kennis, vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een verhuisindicatie aan vanwege problemen met douchen en woningtoegang. De gemeente Haarlem wees dit verzoek af op basis van artikel 10.3 lid 3 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Haarlem 2020, waarin kamerhuurders worden uitgesloten van woonvoorzieningen.
De rechtbank oordeelt dat deze categorische uitsluiting van kamerbewoners in strijd is met de wet, omdat de wet noch de wetsgeschiedenis steun biedt voor het weigeren van maatwerkvoorzieningen enkel op basis van woonsituatie. De medische beperkingen van een kamerhuurder zijn vergelijkbaar met die van een bewoner van een zelfstandig hoofdverblijf.
Hoewel de rechtbank het primaire besluit inhoudelijk zorgvuldig beoordeelt en constateert dat de voorgestelde algemeen gebruikelijke voorzieningen adequaat zijn, vernietigt zij het bestreden besluit vanwege de strijdigheid met de wet. De rechtsgevolgen blijven echter in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.