ECLI:NL:RBNHO:2023:3581

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
18 april 2023
Zaaknummer
15-147418-20
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:28 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorwaardelijke invrijheidstelling jeugdige veroordeelde na gewapende overval

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 17 januari 2023 het verzoek van een destijds minderjarige veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 6:6:28 Sv Pro. Veroordeelde was in oktober 2020 veroordeeld tot een jeugddetentie van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van een gewapende overval waarbij een winkelmedewerker zwaar letsel opliep. Het Hof Amsterdam bevestigde dit vonnis in maart 2021.

Veroordeelde toonde in de periode na de veroordeling een positieve ontwikkeling: hij werkte hard in het familiebedrijf, werd als modelcliënt gezien door jeugdreclassering en werd zelfs door de burgemeester gevraagd als ervaringsdeskundige voor jongeren. Desondanks achtte de officier van justitie het verzoek ongegrond vanwege de ernst van het delict en het leed van het slachtoffer.

De rechtbank erkende de positieve ontwikkeling maar stelde dat de ernst van het feit en de reeds opgelegde straf het uitgangspunt blijven. Er waren geen zwaarwegende redenen om de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen vanwege de ernst van het feit ondanks positieve ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Alkmaar
parketnummer : 15-147418-20
beslissing van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 op het verzoek ex artikel 6:6:28 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Syrië),
nu gedetineerd in de Rijks Justitiële Jeugdinrichting [RJJI] ,
hierna ook te noemen: veroordeelde.
Raadsman mr. M.H.H. Meulemeesters, kantoorhoudende te Utrecht.

1.Het procesverloop

1.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 20 oktober 2020 is [veroordeelde] veroordeeld voor
-kort gezegd- het medeplegen van een gewapende overval op een winkel waarbij een van de winkelmedewerkers zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, tot een jeugddetentie van 10 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en onder oplegging van de algemene en een aantal bijzondere voorwaarden.
1.2.
Het Hof Amsterdam heeft bij arrest van 18 maart 2021, na door veroordeelde ingesteld hoger beroep, het vonnis van de rechtbank bevestigd, met uitzondering van twee bijzondere voorwaarden. Het arrest van het Hof is, na behandeling in cassatie ingesteld door veroordeelde, op 11 januari 2022 onherroepelijk geworden.
1.3.
Bij verzoekschrift van 2 december 2022 heeft mr. M.H.H. Meulemeesters namens veroordeelde de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde verzocht.
1.4.
Het verzoek van veroordeelde is behandeld op de zitting met gesloten deuren van 17 januari 2023. Op deze zitting zijn gehoord de officier van justitie, veroordeelde, zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, en de getuige [getuige] van Jeugdbescherming (Amsterdam), afdeling jeugdreclassering.

2.Het verzoek

2.1.
De raadsman heeft namens veroordeelde zijn voorwaardelijke invrijheidstelling verzocht. Uit het verzoek en de behandeling ter zitting blijkt dat veroordeelde zich inmiddels realiseert dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten. Hij heeft veel spijt en hij begrijpt dat een straf op zijn plaats is. Zijn huidige persoonlijke omstandigheden en de wijze waarop hij nu in het leven staat zijn echter redenen om hem voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
Veroordeelde heeft tot aan de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde onvoorwaardelijke jeugddetentie in oktober 2022 veel en hard gewerkt in het bedrijf van zijn vader en is daar inmiddels onmisbaar geworden. Hij wil graag weer aan het werk om zijn vader te steunen en daarnaast zijn de werkzaamheden in dit bedrijf voor veroordeelde een belangrijke pijler om uit de problemen te blijven. Zijn IFA-coach en de betrokken jeugdreclasseerder zijn zeer positief over veroordeelde en de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Vanwege deze positieve ontwikkeling is veroordeelde uitgenodigd door de burgemeester van de gemeente [gemeente] en is hem gevraagd of hij wil worden ingezet als ervaringsdeskundige voor andere jongeren die met politie en justitie in aanraking komen. Ook dit maakt dat er een maatschappelijk belang is om veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Verder dient er rekening mee te worden gehouden dat er inmiddels een aanzienlijke periode is verstreken sinds de veroordeling. Een voordeel daarvan is dat veroordeelde over een lange periode heeft kunnen laten zien dat hij zichzelf kan houden aan kaders, waarbinnen hij zich positief heeft ontwikkeld, wat uiteindelijk een belangrijk (pedagogisch) doel is van het jeugdstrafrecht. Aan veroordeelde is een onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd van 5 maanden, waarvan hij inmiddels drie-en-een-halve maand heeft uitgezeten. Dit betekent dat veroordeelde de consequenties van zijn strafbare gedragingen al heeft ondervonden. De vraag is of het volledig uitzitten van de opgelegde straf, gelet op alle ontwikkelingen, nu nog opportuun is.

3.Het standpunt van de jeugdreclassering

3.1.
Ter zitting is door de jeugdreclassering naar voren gebracht dat veroordeelde een modelcliënt is. Hij heeft de positieve lijn van begin af aan weten voort te zetten en doet het heel goed op alle gebieden. Hij werkt hard in het bedrijf van zijn vader, wat zeer belangrijk voor hem is. Verder is hij een goed voorbeeld voor andere jongeren. Veroordeelde is echt tot het inzicht gekomen dat misdaad niet loont en dat draagt hij ook uit naar andere jongeren. Hij weet negatieve contacten om te zetten in positieve contacten en het is begrijpelijk dat de raadsman heeft verzocht om hem voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

4.Het standpunt van de officier van justitie

4.1.
.De officier van justitie heeft afwijzing van het verzoek gevorderd. Het is positief dat het zo goed gaat met veroordeelde, maar er kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat er een veroordeling ligt voor een zeer ernstig feit waar zowel de rechtbank als het Hof goed over hebben nagedacht. Het doel van strafoplegging is afschrikking, het tegengaan van recidive, maar ook vergelding voor wat het slachtoffer is aangedaan. De officier van justitie is van mening dat er geen doorslaggevende redenen naar voren zijn gebracht op grond waarvan veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid moet worden gesteld. Veroordeelde moet nog anderhalve maand van de aan hem opgelegde straf uitzitten en een voorwaardelijke invrijheidstelling doet geen recht aan de uitspraken van de rechtbank en het Hof en aan het leed van het slachtoffer.

5.De beoordeling

5.1.
Veroordeelde is bij vonnis van de meervoudige kamer jeugdstrafzaken van de rechtbank Noord-Holland op 20 oktober 2020 veroordeeld voor een jeugddetentie van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Deze uitspraak is, met uitzondering van twee bijzondere voorwaarden, bevestigd door het Hof Amsterdam.
Op grond van artikel 6:6:28 Sv Pro kan de rechter die de jeugddetentie heeft opgelegd op ieder gewenst moment de jeugdige veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid stellen.
Uit het verzoek en de behandeling ter terechtzitting komt naar voren dat veroordeelde sinds zijn veroordeling een zeer positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat hij door de betrokken hulpverleners als een modelcliënt wordt gezien.
De rechtbank is verheugd om te constateren dat het erg goed gaat met veroordeelde, dat hij een mooie ontwikkeling heeft doorgemaakt en zich heeft ingezet om zijn leven een positieve wending te geven waardoor hij inmiddels een goed voorbeeld is voor leeftijdgenoten.
Veroordeelde verdient daarvoor een compliment, maar het neemt niet weg dat hij zich destijds heeft schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt.
Bij de strafoplegging is door de rechtbank en vervolgens door het Hof al rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde.
De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van het Hof het uitgangspunt is voor de duur van het verblijf van veroordeelde in detentie en dat er door de verdediging geen redenen naar voren zijn gebracht die zo zwaarwegend zijn dat een voorwaardelijke invrijheidstelling op zijn plaats is.
De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De te geven beslissing is gegrond op artikel 6:6:28 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
7. De beslissing
De rechtbank:
Wijst het verzoek van veroordeelde af.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van M. Woudman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2023.
voor executie,
de officier van justitie.