Verzoeker kreeg op 30 november 2020 een terrasvergunning voor een terras van 30 m2 tegen het stadhuis in Haarlem, verleend op basis van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) en horecaterrassenregels. De vergunning was geldig tot wederopzegging en niet expliciet beperkt tot de coronapandemie. In februari 2023 trok de burgemeester de vergunning in, omdat de tijdelijke toestemming van de eigenaar (de gemeente) voor het terras was ingetrokken na het einde van de pandemie.
Verzoeker stelde dat het terras essentieel was voor de omzet en dat de intrekking onterecht was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking niet kon worden gebaseerd op het vervallen van de toestemming van de derde, omdat dit niet als intrekkingsgrond in de Apv of beleidsregels is opgenomen. Ook was niet gebleken van gewijzigde omstandigheden die intrekking noodzakelijk maken.
De belangenafweging wees uit dat verzoeker het terras mocht blijven exploiteren tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is een voorlopige voorziening en bindt niet in een bodemprocedure.