De werknemer verzocht de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst na langdurige arbeidsongeschiktheid van ruim twee jaar en eiste een transitievergoeding berekend vanaf 1999 vanwege opvolgend werkgeverschap. De werkgever betwistte dit en stelde dat de transitievergoeding vanaf 2009 berekend moest worden. De kantonrechter oordeelde dat ontbinding toewijsbaar is vanwege het slapend dienstverband en de langdurige ziekte.
De kantonrechter wees de transitievergoeding af omdat er geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever was. De werknemer kreeg de gelegenheid zijn verzoek in te trekken, aangezien de wet geen intrekking toestaat zonder transitievergoeding. De rechter bevestigde dat sprake is van opvolgend werkgeverschap vanaf 30 augustus 1999, waardoor die datum geldt voor de transitievergoeding.
Verder werden verklaringen voor recht gegeven dat de werknemer aanspraak heeft op uitbetaling van twee keer twintig vakantiedagen en vergoeding van reiskosten voor bezoeken aan de arboarts conform cao. Verzoeken tot leermeestertoeslag en jubileumuitkering werden afgewezen. Het tegenverzoek van de werkgever tot ontbinding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van toestemming UWV.
Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De ontbinding gaat in per 15 maart 2023, met een voorwaardelijke mogelijkheid tot intrekking van het verzoek.