Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2. Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Strafbaarheid en kwalificatie van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
8.Vorderingen tot tenuitvoerlegging
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
bewezendat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
24 (vierentwintig) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
6 (zes) maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
[benadeelde] niet-ontvankelijkin de vordering.
[slachtoffer 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 42.437,29 (tweeënveertigduizend vierhonderdzevenendertig euro en negenentwintig cent), bestaande uit € 2.437,29 als vergoeding voor de materiële en € 40.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 2]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 42.437,29 (tweeënveertigduizend vierhonderdzevenendertig euro en negenentwintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 247 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Wijst afde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/209725-21 opgelegde voorwaardelijke straf.
Wijst afde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/328580-21 opgelegde voorwaardelijke straf.
Wijst afde vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Heft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.