Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2023 in de zaak tussen
Schoonmaakbedrijf [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
Inleiding
Ex-werkneemster heeft desgevraagd aangegeven niet aan de procedure te willen deelnemen.
Beoordeling door de rechtbank
De verzekeringsarts heeft gerapporteerd op 3 november 2015 en een FML (per 26 oktober 2015) opgesteld, waarbij is geoordeeld dat verbetering van de belastbaarheid valt te verwachten en sprake is van benutbare mogelijkheden. De arbeidsdeskundige heeft gerapporteerd op 1 december 2015 en geconcludeerd dat er geen theoretische verdiencapaciteit aanwezig is en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80-100%.
Bij besluit van 4 december 2015 is aan ex-werkneemster een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met ingang van 25 januari 2016 tot 25 oktober 2017.
Tegen dit besluit is door eiseres geen bezwaar aangetekend.
De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland gaat niet op. Geoordeeld werd dat er weliswaar onzorgvuldig is gehandeld, maar dit had geen consequentie. Uit het geschetste beoordelingskader en de verdere motivering van de rechtbank Gelderland leidt verweerder af dat het niet tijdig uitvoeren van het geplande heronderzoek van UWV niet van belang is geweest voor de uiteindelijke conclusie van de rechtbank.
.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de rechtbank Gelderland. Het behoort tot de taak van verweerder om vast te stellen of een verzekerde recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en zo, ja, om welke uitkering dat gaat. De verzekeringsarts heeft geadviseerd dat een medisch heronderzoek aan de orde was. Hoewel er op grond van de WIA geen verplichting tot herbeoordeling bestaat, dient een professionele herbeoordeling te volgen wanneer dit door een verzekeringsarts (of arbeidsdeskundige) is aangegeven.
Eerst nadat eiseres om een herbeoordeling heeft verzocht, heeft verweerder actie ondernomen. De rechtbank volgt niet de stelling van verweerder ter zitting dat het de verantwoordelijkheid van een werkgever is om een dergelijke herbeoordeling in de gaten te houden. Indien dit onderzoek is geïndiceerd, heeft verweerder een verantwoordelijkheid die taak uit te voeren. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door de geplande herbeoordeling niet tijdig uit te voeren, maar eerst na verzoek van eiseres.
Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie ECLI:NL:CRVB:2016:1244) kan worden afgeleid dat de datum van het verzoek om een IVA-uitkering wordt gekozen als ingangsdatum, tenzij de aanvrager een aannemelijke eerdere datum heeft doorgegeven of de verzekeringsarts zelf een aannemelijke datum kan aanwijzen voor het ontstaan van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. In dit geval heeft de verzekeringsarts b&b geoordeeld dat een nog eerdere datum kan worden aangewezen. Aan deze uitzonderingssituatie kan niet zonder meer voorbij gegaan worden met een beroep op artikel 64 lid 11 van Pro de WIA. Indien verweerder de geïndiceerde herbeoordeling tijdig had uitgevoerd, is voldoende aannemelijk geworden dat deze datum als ingangsdatum voor de IVA-uitkering was aangemerkt. Het ten onrechte nalaten van het (tijdig) verrichten van de geïndiceerde herbeoordeling, vat de rechtbank op als een door verweerder verwijtbaar niet tijdig onderkennen van de mogelijkheid van een aanvraag. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake van een bijzondere omstandigheid die maakt dat moet worden afgeweken van het bepaalde in artikel 64 lid 11 van Pro de WIA. De rechtbank concludeert dat op grond van deze nadere medische informatie verweerder gehouden was om de IVA-uitkering op de door de verzekeringsarts b&b genoemde datum had moeten laten ingaan.
16. Dat betekent dat het besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij 15 maart 2020 is gekozen als ingangsdatum van de IVA-uitkering van ex-werkneemster.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;