Uitspraak
Rechtbank noord-holland
[verzoekster 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , verzoekster,
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Groningen, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 22 december 2022 geen besluit is. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb omschrijft een besluit als: “een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.” De brief van 22 december 2022 heeft geen publiekrechtelijk rechtsgevolg. Weliswaar zal verweerder, zoals ook ter zitting aan de orde is geweest, ter uitvoering van de honorering van het verzoek tot handhaving handelingen verrichten (zoals verwerking van de honorering van het verzoek in het registratiesysteem en het uitvoeren van controles aan de grens op goederen genoemd in het octrooi waarop inbreuk vermoed wordt) maar deze feitelijke handelingen zijn intern van aard en zij zijn niet van invloed op de rechtspositie van verzoeksters. Rechtsgevolgen zijn pas aan de orde indien bij verweerder een vermoeden van inbreuk ontstaat en hij op grond daarvan de vrijgave van de betreffende goederen schorst dan wel die goederen vasthoudt. Ook zonder de honorering van een verzoek tot handhaving als gedaan bij de brief van 22 december 2022 kan verweerder de vrijgave van goederen schorsen.
Omdat de brief van 22 december 2022 geen publiekrechtelijk rechtsgevolg heeft, kan daartegen geen bezwaar worden gemaakt in de zin van artikel 7:1 van Pro de Awb. Het bezwaar van verzoeksters tegen de brief van 22 december 2022 zal dus naar verwachting niet-ontvankelijk worden verklaard.
De voorzieningenrechter van de douanekamer ziet zich dus gesteld voor de vraag naar haar bevoegdheid voor de behandeling van de voorlopige voorzieningen.
Op grond van artikel 8, vierde lid, van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 van de Awb) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland tegen een beschikking als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, van de Algemene douanewet. Artikel 8:2, tweede lid, aanhef en onder a van de Algemene douanewet bepaalt dat een beschikking voor bezwaar vatbaar is indien het een beschikking betreft als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder 39, van het DWU. Op grond van deze bepaling is een beschikking elke beslissing welke verband houdt met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor de betrokken persoon of betrokken personen rechtsgevolgen heeft.
Op grond van artikel 2, aanhef en onder 14, van de APV wordt voor de toepassing van de APV onder „houder van de goederen” verstaan: de persoon die de eigenaar is van de goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht of die een soortgelijk recht heeft om erover te beschikken, of er fysieke controle over uitoefent. De [# 2] zijn niet vrijgegeven omdat op grond van artikel 23, eerste lid, laatste volzin van de APV beperkingen aan de vrijgave zijn gesteld. Dit is een beperking als bedoeld in artikel 194, eerste lid, van het DWU. Deze beperking houdt verband met douanewetgeving. Het niet vrijgeven heeft betrekking op een bepaald geval, namelijk op 20 [# 2] die op 27 februari 2023 zijn aangegeven. Artikel 5, aanhef en onder 39, van het van het DWU stelt niet als eis dat een beschikking schriftelijk moet zijn. De feitelijke handeling van het niet vrijgeven kan dus een beschikking zijn in de zin van artikel 5, aanhef en onder 39, van het DWU. Rechtsgevolg van het niet vrijgeven is dat de houder/eigenaar van de goederen niet over de goederen kan beschikken. [verzoekster 1] heeft onweersproken gesteld dat zij de juridisch eigenaar is van de [# 2] . Ter zitting is besproken of de aangever ( [bedrijf 1] ) als directe of indirecte vertegenwoordiger aangifte voor [verzoekster 1] heeft gedaan, maar daar kon geen uitsluitsel over worden gegeven. Het rechtsgevolg van het niet vrijgeven is echter dat houder (in de zin van de APV) noch eigenaar kan beschikken over de [# 2] . Vaststaat dat de [# 2] een noodzakelijk hulpmiddel zijn bij het gebruik van het [systeem] (de ballonkatheters en de prothetische hartkleppen). De ballonkatheters en prothetische hartkleppen zijn op grond van een daartoe strekkend verzoek van de octrooirechthoudster aan verweerder wél vrijgegeven. Op grond van het voorgaande gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het niet vrijgeven van de [# 2] rechtsgevolgen heeft voor in ieder geval één van verzoeksters: [verzoekster 1] .
Daar komt bij dat op grond van artikel 1.1, vierde lid, van de Algemene douanewet de bepalingen bij of krachtens deze wet mede strekken tot uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen, voorzover deze betrekking hebben op goederen en onderwerpen betreffen die vallen onder de regelingen genoemd in de bijlage bij deze wet. De APV is gebaseerd op artikel 207 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en in de bijlage van de Algemene douanewet staan artikel 207 en Pro de Rijksoctrooiwet 1995 genoemd. De bescherming van het octrooirecht valt dus onder het douanetoezicht.
Op grond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter van de douanekamer zich bevoegd te oordelen over de verzoeken om een voorlopige voorziening.
Verzoeksters hebben naar voren gebracht dat voor hen inderdaad een groot financieel belang speelt, maar ook dat de [# 2] een onlosmakelijk onderdeel zijn van het [systeem] , dat door het niet vrijgeven van de [# 2] niet gebruikt kan worden, terwijl de ballonkatheters en de prothetische hartkleppen van het [systeem] wel zijn vrijgegeven.
In het licht van het bovenstaande acht de voorzieningenrechter het belang van verzoekster(s) voor het treffen van een voorlopige voorziening, toereikend.
In zo’n geval kan de aangever of de houder van de goederen verweerder op grond artikel 24, eerste lid, van de APV verzoeken de goederen vervroegd vrij te geven, vóór de voltooiing van deze procedure.
Op grond van artikel 24, tweede lid, van de APV zal verweerder de goederen vrijgeven als aan drie voorwaarden is voldaan: