Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 21 februari 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak tussen eiseres en verweerder met zaaknummer HAA 21/5129.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde vergezeld van [naam 1] , kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. [naam 2] , mr. [naam 3] en [naam 4] .
Overwegingen
(de rechtbank begrijpt dat “bewaken” onjuist is en dat dit “bewerken” moet zijn, zoals ter zitting is besproken). In de vergunning zijn voor het hoofdveredelingsproduct de GS-posten 5208 en 4910 vergund en voor het bijkomende veredelingsproduct GS-post 5208. De vergunning vermeldt een opbrengstpercentage van 101,3%. De faciliteit van artikel 546 van Pro de Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: TCDW) maakt deel uit van de vergunning.
9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) (onderscheidenlijk artikel 220 lid 2 onder Pro b van het CDW).
De rechtbank volgt dus verweerder in het standpunt dat de vergunning zelf geen aanknopingspunten bevat voor de stelling dat de scrap in het vergunde opbrengstpercentage zou zijn verdisconteerd. In de vergunning staat namelijk naast het hoofdveredelingsproduct ook het bijkomende veredelingsproduct, met GS-post 5208, vermeld. In artikel 496, letter k, van de TCDW worden hoofdveredelingsproducten gedefinieerd als de
De verwijzing van eiseres naar een verklaring van [bedrijf] van 19 april 2004 en het controleverslag van de Douane van 13 januari 1995 zijn niet voldoende om aan te tonen dat deze afspraak bestaat en nog van toepassing zou zijn op de onderhavige vergunning. Naast dat dit informatie is van ver voor de in geding zijnde periode (1 januari 2013 tot en met 30 april 2016), is daaruit, anders dan eiseres stelt, niet op te maken dat, of hoe het afval is verdisconteerd in het opbrengstpercentage.
In de voorgaande vergunningen wordt nergens gerefereerd aan individuele afspraken met de vergunninghouder waaruit zou blijken dat afvallen verdisconteerd zouden worden in het opbrengstpercentage. Eiseres heeft niet met stukken onderbouwd dat in voorgaande vergunningen sprake zou zijn van de afspraak dat de afvallen in het opbrengstpercentage zijn verdisconteerd.
De rechtbank stelt vast dat uit de vergunning actieve veredeling volgt dat aan eiseres artikel 546 van Pro de TCDW was vergund. Indien dit het geval is worden de veredelingsproducten geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht indien zij bij het verstrijken van de termijn geen douanebestemming hebben gekregen. Artikel 521, lid 2, letter i, van de TCDW schrijft voor dat wanneer artikel 546 van Pro de TCDW wordt toegepast, dit dient te worden vermeld in de aanzuiveringsafrekening. Niet in geschil is dat eiseres in de ingediende aanzuiveringsafrekening nooit heeft aangegeven dat zij van de faciliteit van artikel 546 van Pro de TCDW gebruik heeft gemaakt. Eiseres heeft dus niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 521, lid 2, letter i, van de TCDW. Door het enkele verstrijken van de aanzuiveringstermijn kunnen de afvallen niet geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht.