ECLI:NL:RBNHO:2023:5426

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
10113456 \ CV EXPL 22-5715
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 19 Verdrag van MontrealArt. 33 Verdrag van Montreal
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Nederlandse rechter in zaak compensatie geannuleerde vlucht

De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Istanboel die werd geannuleerd. Na aanschaf van een nieuw ticket vordert de passagier compensatie en restitutie van ticketkosten op grond van de EU Verordening 261/2004 en het Verdrag van Montreal.

De kantonrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van de Verordening, maar dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat de Verordening geen vergoeding van meerkosten van een vervangende vlucht omvat. De passagier beroept zich daarnaast op artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal, dat schadevergoeding bij vertraging regelt.

Echter, op grond van artikel 33 van Pro het Verdrag van Montreal is de Nederlandse rechter niet bevoegd omdat de vervoerder in Istanboel is gevestigd, de eindbestemming niet in Nederland ligt, en er geen vestiging in Nederland is die zorg droeg voor de overeenkomst. De kantonrechter verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd en wijst de vordering af, met veroordeling van de passagier in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10113456 \ CV EXPL 22-5715
Uitspraakdatum: 7 juni 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen de passagier
gemachtigde Flightlaw
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Turk Havayollari A.O.mede handelend onder de naam
Turkish Airlines
gevestigd te Istanboel, Turkije
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. H. Bulut-Yazir

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 14 september 2022 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. Bij akte van 12 oktober 2022 heeft de passagier vervolgens zijn eis gewijzigd. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Istanboel op 25 mei 2022, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht is geannuleerd.
2.3.
De passagier heeft vervolgens een nieuw vliegticket aangeschaft.
2.4.
De passagier heeft compensatie en restitutie van de ticketkosten gevorderd in verband met voornoemde annulering.
2.5.
De vervoerder heeft op 22 juni 2022 de compensatie betaald.

3.De vordering en het verweer

3.1.
De passagier vordert - na wijziging van eis - dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 148,98, vermeerderd met de wettelijke rente over € 397,98 vanaf 25 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, € 72,06 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en artikel 19 van Pro het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer van 28 mei 1999, Trb. 2001/91 (hierna: het Verdrag van Montreal). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht nog gehouden is om de meerkosten van de vervangende vlucht te betalen.
3.3.
Op het verweer van de vervoerder wordt voor zover van belang bij de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter merkt over de vordering het volgende op. De passagier heeft de Verordening en het Verdrag van Montreal aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Voor zover de passagier de Verordening aan zijn vordering ten grondslag legt, stelt de kantonrechter ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. De vordering kan echter niet worden toegewezen op grond van de Verordening, omdat de Verordening, en meer in het bijzonder artikel 9 van Pro de Verordening, niet ziet op de vergoeding van de kosten die de passagier vordert. Uit het arrest van het Hof van 7 november 2019 (zaak C213/18, ECLI:EU:C:2019:927) volgt dat in de Verordening ‘vastgelegde forfaitaire en gestandaardiseerde rechten’ zijn geregeld en in het Verdrag van Montreal de ‘verdere compensatie’. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt hieruit dat artikel 9 van Pro de Verordening in elk geval niet zover kan worden opgerekt dat onder ‘recht op verzorging’ ook het verschil in kosten tussen het oorspronkelijke en het nieuwe vliegticket moet worden verstaan. Daaruit volgt dat de vordering van de passagier niet op grond van de Verordening kan worden toegewezen.
4.2.
De passagier beroept zich tevens op artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal. Uit dit artikel volgt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van “schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen”
4.3.
In dat verband is van toepassing artikel 33 van Pro het Verdrag van Montreal dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt: “
De rechtsvordering tot schadevergoeding moet ter keuze van de eiser worden ingesteld binnen het gebied van een der staten die partij zijn bij dit verdrag, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de vervoerder, of van de hoofdzetel van diens onderneming of van de plaats waar hij een vestiging heeft, door de zorg waarvan de overeenkomst is gesloten, hetzij voor de rechter van de plaats van bestemming”.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat de vervoerder volgens de dagvaarding gevestigd is te Istanboel. Vaststaat dat de eindbestemming van de passagier evenmin in Nederland is gelegen. Gesteld noch gebleken is dat de vervoerder mede een vestiging heeft in Nederland en dat die vestiging zorg heeft gedragen voor de overeenkomst, noch dat de bevoegdheid uit een ander verdrag of een andere verordening voortvloeit. Er is op basis van artikel 33, eerste lid, van het Verdrag van Montreal dan ook geen aanknopingspunt voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De kantonrechter zal zich daarom onbevoegd verklaren.
4.5.
De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat hij ongelijk krijgt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 78‬,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter