ECLI:NL:RBNHO:2023:5533
Rechtbank Noord-Holland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen handhaving faillissement na langdurige insolventieprocedure
Appellant is sinds april 2017 persoonlijk failliet verklaard. Na ruim zes jaar faillissement verzocht hij om opheffing wegens uitzichtloosheid en gebrek aan baten, mede vanwege zijn medische toestand en het ontbreken van inkomen. De curator stelde dat nog onderzoek loopt naar mogelijke vergoedingen van de echtgenote van appellant voor de overname van zijn eenmanszaak en werkzaamheden ten behoeve van haar onderneming.
De rechtbank constateert dat het faillissement aanzienlijk langer duurt dan gebruikelijk voor een natuurlijk persoon en dat de vertraging vooral wordt veroorzaakt door het uitblijven van informatie van derden. Hoewel de curator een ruime beleidsvrijheid heeft om het faillissement in het belang van schuldeisers af te wikkelen, moet ook rekening worden gehouden met het belang van appellant.
De rechtbank oordeelt dat het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij voortzetting van het faillissement voor nader onderzoek nog slechts voor een beperkte periode zwaarder kan wegen dan het belang van appellant bij opheffing. De curator krijgt maximaal één verslagperiode om de benodigde informatie te verkrijgen en te beoordelen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de beschikking van de rechter-commissaris gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de handhaving van het faillissement wordt afgewezen en het faillissement blijft gehandhaafd.