ECLI:NL:RBNHO:2023:6184

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 juli 2023
Publicatiedatum
3 juli 2023
Zaaknummer
10324562 \ CV EXPL 23-419
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging verstekvonnis over betaling schilderwerk en verbouwingswerkzaamheden

In deze civiele zaak verzoekt een horecaonderneming de vernietiging van een verstekvonnis waarin zij werd veroordeeld tot betaling van openstaande facturen voor verbouwings- en schilderwerkzaamheden. De kantonrechter wijst dit verzoek grotendeels af, met uitzondering van het bedrag voor schilderwerk.

De feiten zijn dat de gedaagde partij werkzaamheden en goederen leverde in een door de horecaonderneming gehuurd pand, waarvoor een bedrag van € 32.121,89 werd gefactureerd. Hiervan is € 29.312,00 betaald. Er ontstond discussie over een openstaand bedrag van € 2.809,89. Ook was onenigheid over een factuur voor schilderwerk van € 2.044,90, waarvan € 1.690,00 via WhatsApp was overeengekomen en betaald.

De horecaonderneming stelde dat de werkzaamheden niet volledig waren afgerond en dat zij niet de juiste contractspartij was. De kantonrechter oordeelde dat de gedaagde partij terecht de horecaonderneming als opdrachtgever beschouwde, dat het werk grotendeels was uitgevoerd en dat de horecaonderneming het resterende bedrag moest betalen. Voor het schilderwerk werd vastgesteld dat het overeengekomen bedrag inclusief btw was betaald, zodat dat deel van de vordering werd afgewezen.

De kantonrechter veroordeelde de horecaonderneming tot betaling van € 3.215,78 plus wettelijke rente en proceskosten, en verklaarde het verzet gedeeltelijk gegrond. Het verstekvonnis werd vernietigd voor zover het het schilderwerk betrof.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt gedeeltelijk vernietigd en de horecaonderneming veroordeeld tot betaling van € 3.215,78 plus rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10324562 \ CV EXPL 23-419
Uitspraakdatum: 6 juli 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap onder firma
[eisende partij in verzet]
gevestigd te [vestigingsplaats 1]
eisende partij in het verzet
verder te noemen: [eisende partij in verzet]
gemachtigde: mr. L.M.L. van Berkel
tegen

1.[gedaagde partij in verzet]

gevestigd te [vestigingsplaats 2]
en haar vennoten
2.
[vennoot 1 van gedaagde partij in verzet]
wonende te [woonplaats 1]
3.
[vennoot 2 gedaagde partij in verzet]
wonende te [woonplaats 1]
4.
[vennoot 3 van gedaagde partij in verzet]
wonende te [woonplaats 2]
gedaagde partij in het verzet
verder te noemen: [gedaagde partij in verzet]
gemachtigde: mr. ing. S. Springer
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt een horecaonderneming een tegen haar uitgesproken verstekvonnis te vernietigen. De kantonrechter wijst dit verzoek grotendeels af. Alleen het deel van de vordering, bestaande uit een openstaand bedrag op een factuur voor schilderwerk, hoeft de horecaonderneming niet te betalen, omdat partijen voor het schilderwerk een vaste prijs zijn overeengekomen en dat bedrag is betaald.

1.Het procesverloop

1.1.
[gedaagde partij in verzet] heeft bij inleidende dagvaarding van 27 oktober 2022 een vordering ingesteld tegen [eisende partij in verzet] .
1.2.
[eisende partij in verzet] is niet verschenen, waarna [eisende partij in verzet] bij verstekvonnis van 22 december 2022 is veroordeeld.
1.3.
Bij dagvaarding van 1 februari 2023 is [eisende partij in verzet] in verzet gekomen tegen dat verstekvonnis.
1.4.
Op 12 juni 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde partij in verzet] bij brief van 26 mei 2023 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij in verzet] heeft in 2021 (verbouwings)werkzaamheden verricht en goederen geleverd in een door [eisende partij in verzet] gehuurd pand aan de [adres] [gedaagde partij in verzet] heeft hiervoor € 32.121,89 aan [eisende partij in verzet] gefactureerd. Van dit bedrag heeft [eisende partij in verzet] € 29.312,00 aan [gedaagde partij in verzet] betaald.
2.2.
Verder zijn er op verzoek van [eisende partij in verzet] door [gedaagde partij in verzet] schilderwerkzaamheden verricht. Via whatsapp heeft [vennoot 3 van gedaagde partij in verzet]
,vennoot van [gedaagde partij in verzet] , hierover het volgende meegedeeld aan [naam] vennoot van [eisende partij in verzet] .
‘4/29/21, 11:42 – [vennoot 3 van gedaagde partij in verzet] : Goodmorning Ali so the painting is basically done, can you take 1690€ with you I have to pay the guys (…)
4/29/21, 19:47 – [vennoot 3 van gedaagde partij in verzet] : (…) 1690 of the painting cash please (…)’
2.3.
Op 3 mei 2021 heeft [eisende partij in verzet] € 1.690,00 aan [gedaagde partij in verzet] betaald. Bij de omschrijving staat vermeld ‘color at Zeist. Op 28 november 2021 heeft [gedaagde partij in verzet] [eisende partij in verzet] een factuur van € 2.044,90 toegestuurd met daarop de omschrijving ‘Paint of color [eisende partij in verzet] ’.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[gedaagde partij in verzet] heeft bij inleidende dagvaarding van [eisende partij in verzet] , naast nevenvorderingen, betaling gevorderd van € 3.163,30. [gedaagde partij in verzet] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [eisende partij in verzet] werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde partij in verzet] heeft [eisende partij in verzet] hiervoor facturen toegestuurd, welke [eisende partij in verzet] gedeeltelijk onbetaald heeft gelaten.
3.2.
[eisende partij in verzet] is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde. Ook de nevenvorderingen zijn toegewezen.
3.3.
[eisende partij in verzet] vordert, in de verzetdagvaarding, ontheffing van de veroordeling en [gedaagde partij in verzet] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de oorspronkelijke vordering af te wijzen. Daartoe voert [eisende partij in verzet] aan dat [eisende partij in verzet] niet gehouden is de vordering te voldoen, omdat [gedaagde partij in verzet] haar werkzaamheden niet heeft verricht in opdracht en voor rekening van [eisende partij in verzet] maar voor [bedrijf 1] Verder voert [eisende partij in verzet] aan dat [gedaagde partij in verzet] de werkzaamheden niet volledig heeft afgerond en er nooit een oplevering heeft plaatsgevonden. [eisende partij in verzet] is daardoor niet gehouden het resterende bedrag te betalen. Ten aanzien van de schilderwerkzaamheden voert [eisende partij in verzet] aan dat zij hiervoor met [gedaagde partij in verzet] een bedrag van € 1.690,00 is overeengekomen, dat zij dat bedrag ook heeft betaald en dat Horecapont dus geen aanspraak kan maken op betaling van het resterende deel van die factuur.

4.De beoordeling

4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [eisende partij in verzet] is dat [gedaagde partij in verzet] niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat zij de verkeerde contractspartij heeft gedagvaard. Volgens [eisende partij in verzet] zijn de werkzaamheden in opdracht van [bedrijf 1] v.o.f., waarvan [naam] tevens vennoot is, verricht en niet in opdracht van [eisende partij in verzet] . Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [eisende partij in verzet] verwezen naar een whatsapp-gesprek in mei 2021 waarin [naam] op een vraag van [vennoot 1 van gedaagde partij in verzet] wat de ‘company name for Zeist’ is, antwoord: [bedrijf 1] Dit betoog van [eisende partij in verzet] overtuigt echter niet. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.2.
In de dagvaarding staat vermeld dat [eisende partij in verzet] in februari 2021 de horecagelegenheid aan de [adres] heeft overgenomen. Hieruit kan worden afgeleid dat [eisende partij in verzet] en dus niet [bedrijf 1] gevestigd was op het adres waar de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daar komt bij dat zowel de factuur van 16 maart 2021 als de offerte van 1 april 2021 (waarvan [eisende partij in verzet] de ontvangst niet betwist) op naam van [eisende partij in verzet] zijn gesteld en aan het adres van [eisende partij in verzet] zijn toegestuurd. [eisende partij in verzet] heeft deze stukken zonder protest gehouden en heeft (grotendeels) betaald. Van [eisende partij in verzet] had verwacht mogen worden dat, als de tenaamstelling op de factuur niet goed was, zij hierover kort na ontvangst contact had opgenomen met [gedaagde partij in verzet] . Gesteld nog gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Met betrekking tot het whatsapp-gesprek waarin [bedrijf 1] wordt genoemd heeft [vennoot 1 van gedaagde partij in verzet] , vennoot van [gedaagde partij in verzet] , op de zitting toegelicht dat hij de bedrijfsnaam bij [eisende partij in verzet] heeft opgevraagd voor het aanvragen van nutsaansluitingen. Dit omdat [eisende partij in verzet] de Nederlandse taal niet goed spreekt en [vennoot 1 van gedaagde partij in verzet] [eisende partij in verzet] hierbij wilde helpen. Aangezien in de whatsapp-correspondentie ook wordt verwezen naar de website mijnaansluitingen.nl vindt de kantonrechter deze verklaring aannemelijk. Dit geldt temeer omdat [vennoot 1 van gedaagde partij in verzet] deze vraag pas heeft gesteld lang nadat [gedaagde partij in verzet] haar offerte en factuur aan [eisende partij in verzet] had gestuurd, zodat niet aannemelijk is dat [gedaagde partij in verzet] deze gegevens op dat moment heeft opgevraagd om te weten wie haar contractspartij was.
4.3.
Het voorgaande leidt er dan ook toe dat [gedaagde partij in verzet] , op basis van alle omstandigheden van het geval, [eisende partij in verzet] terecht als haar opdrachtgever heeft beschouwd. Vervolgens is de vraag
of [eisende partij in verzet] terecht veroordeeld is tot betaling van de door [gedaagde partij in verzet] gevorderde bedragen of dat de vordering alsnog moet worden afgewezen. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat de totale aanneemsom € 32.121,89 bedroeg en dat [eisende partij in verzet] van dat bedrag € 2.809,89 onbetaald heeft gelaten. [eisende partij in verzet] stelt zich echter op het standpunt dat zij niet gehouden is tot betaling van dit bedrag, omdat [gedaagde partij in verzet] het werk niet volledig heeft afgerond en niet heeft opgeleverd, terwijl de afspraak was dat de laatste 10% pas bij oplevering zou worden betaald. Dat het werk niet is opgeleverd blijkt volgens [eisende partij in verzet] uit het bericht van [vennoot 3 van gedaagde partij in verzet] van 5 mei 2021 waarin [vennoot 3 van gedaagde partij in verzet] aangeeft dat hij is gestopt met de werkzaamheden en dat hij een credit nota en een refund zou sturen. Ter zitting heeft [vennoot 3 van gedaagde partij in verzet] hierover verklaard dat hij dit bericht niet heeft gestuurd als vennoot van [gedaagde partij in verzet] maar als vennoot van [bedrijf 2] , de onderneming die door [eisende partij in verzet] was ingeschakeld voor werkzaamheden met betrekking tot de ventilatie in het pand. [vennoot 3 van gedaagde partij in verzet] erkent dat hij is gestopt met die werkzaamheden en vervolgens een creditfactuur heeft gestuurd van € 6.000 voor de totale aanneemsom van € 12.000 van [bedrijf 2] . [eisende partij in verzet] heeft dit niet weersproken en heeft erkend dat zij van [bedrijf 2] een creditfactuur heeft ontvangen. Daarmee staat vast dat het door [eisende partij in verzet] aangehaalde whatsappbericht geen betrekking had op de door [gedaagde partij in verzet] verrichte werkzaamheden.
4.5.
Op de zitting heeft [eisende partij in verzet] haar standpunt aangevuld met de stelling dat het werk door [gedaagde partij in verzet] niet goed is gedaan en zij daarom niet gehouden is het nog openstaande bedrag te betalen. [gedaagde partij in verzet] heeft dit uitdrukkelijk betwist en stelt dat het werk voor meer dan 100% is gedaan. Op de vraag van de kantonrechter aan [eisende partij in verzet] wat er dan precies niet goed was aan het werk van [gedaagde partij in verzet] , heeft [eisende partij in verzet] geantwoord dat het ging om elektra en nog wat kleine dingen zoals de televisieaansluiting. [gedaagde partij in verzet] heeft in reactie hierop verklaard dat zij dit voor het eerst hoort en dat, voor zover er al sprake was een gebrek, [eisende partij in verzet] haar in gebreke had moeten stellen. De kantonrechter volgt [gedaagde partij in verzet] hierin. Als het werk inderdaad niet goed was gedaan dan had [eisende partij in verzet] [gedaagde partij in verzet] in gebreke moeten stellen en haar de gelegenheid tot herstel moeten bieden. Omdat niet is gebleken dat [eisende partij in verzet] dit heeft gedaan, is [gedaagde partij in verzet] niet in verzuim komen te verkeren. [eisende partij in verzet] moet het resterende deel van de aanneemsom dan ook alsnog betalen.
4.6.
Voor de factuur van de schilderwerkzaamheden geldt het volgende. Volgens [gedaagde partij in verzet] moet [eisende partij in verzet] nog € 354,00, bestaande uit de btw over de verrichte schilderwerkzaamheden, betalen. [eisende partij in verzet] betwist dit en stelt dat zij met [gedaagde partij in verzet] een bedrag van € 1.690,00 voor het schilderwerk is overeengekomen en dat dat bedrag door haar is betaald. Uit het door [eisende partij in verzet] overgelegde whatsapp-gesprek blijkt inderdaad dat partijen zijn overeengekomen dat voor het schilderwerk € 1.690,00 door [eisende partij in verzet] aan [gedaagde partij in verzet] zou worden betaald. Uit het whatsapp-gesprek blijkt verder dat [gedaagde partij in verzet] [eisende partij in verzet] heeft gevraagd dat bedrag contant te betalen. Of dit bedrag in- of exclusief btw is en of partijen daar iets over hebben afgesproken, valt uit de whatsapp-correspondentie niet op te maken. Bij gebreke van een onderbouwing van [gedaagde partij in verzet] dat de afspraak was dat er nog btw bij zou komen, houdt de kantonrechter het er daarom op dat partijen een totaalbedrag van € 1.690,00 (inclusief btw) zijn overeengekomen. Aangezien dat bedrag ook door [eisende partij in verzet] is betaald, heeft [gedaagde partij in verzet] op dit punt niets meer van [eisende partij in verzet] te vorderen. Dat [eisende partij in verzet] niet contant, maar via een bankoverschrijving heeft betaald, maakt dit niet anders.
4.7.
De conclusie is dat het verzet gedeeltelijk gegrond is. Het verstekvonnis kan daarom niet in stand blijven. De oorspronkelijke vordering is slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 2.809,89.
4.8.
[gedaagde partij in verzet] heeft tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Omdat [eisende partij in verzet] heeft nagelaten de door haar erkende bedragen binnen de vervaltermijn van de facturen te voldoen, is zij wettelijke handelsrente verschuldigd. De wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen op de wijze zoals onder de beslissing vermeld. Verder geldt dat [gedaagde partij in verzet] voldoende heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Er zal daarom een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [eisende partij in verzet] zal worden veroordeeld, zijnde € 405,89.
4.9.
[eisende partij in verzet] zal als overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van zowel de verstek- als de verzetprocedure. [eisende partij in verzet] zal daarbij ook worden veroordeeld tot betaling van nakosten, voorzover er daadwerkelijk nakosten door [gedaagde partij in verzet] worden gemaakt.
4.10.
[gedaagde partij in verzet] heeft in de verzetprocedure verzocht [eisende partij in verzet] te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten die zij heeft begroot op € 800,00. [gedaagde partij in verzet] heeft voornoemd bedrag niet onderbouwd met bijvoorbeeld facturen of een urenspecificatie van haar gemachtigde. Het verzoek is daarmee onvoldoende gespecificeerd en kan reeds daarom niet worden toegewezen. De proceskosten zullen worden toegewezen conform het geldende liquidatietarief.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart het verzet gedeeltelijk gegrond en vernietigt het verstekvonnis van 22 december 2022 en, opnieuw rechtdoende:
5.2.
veroordeelt [eisende partij in verzet] tot betaling aan [gedaagde partij in verzet] van € 3.215,78 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.809,89 vanaf 16 maart 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.3.
veroordeelt [eisende partij in verzet] tot betaling van de proceskosten van de verstekprocedure, die aan de kant van [gedaagde partij in verzet] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:
dagvaarding € 108,41
griffierecht € 487,00
salaris gemachtigde € 218,00;
5.4.
veroordeelt [eisende partij in verzet] tot betaling van de proceskosten van de verzetprocedure, die tot en met vandaag voor [gedaagde partij in verzet] worden vastgesteld op een bedrag van € 232,00 aan salaris van de gemachtigde van [eisende partij in verzet] ;
5.5.
veroordeelt [eisende partij in verzet] tot betaling van € 109,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [gedaagde partij in verzet] worden gemaakt, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis, indien betekening heeft plaatsgevonden;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter