ECLI:NL:RBNHO:2023:6584

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
C/15/340464 / FA RK 23-2568
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 4:1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek zorgmachtiging wegens niet-fysieke psychiatrische beoordeling

De officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene lijdt aan een bipolaire stoornis en een autismespectrumstoornis, waarbij ernstig nadeel wordt veroorzaakt. De medische verklaring was gebaseerd op een psychiatrisch onderzoek dat via beeldbellen werd uitgevoerd, omdat betrokkene uit angst voor een man niet fysiek wilde verschijnen.

Betrokkene betoogde dat het verzoek moest worden afgewezen omdat de medische verklaring niet voldeed aan de eisen die de Hoge Raad stelt, namelijk dat het onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene moet plaatsvinden tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is. De behandelaar stelde dat een zorgmachtiging nodig is vanwege het risico op escalatie en ernstig nadeel.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek via beeldbellen niet voldeed aan de wettelijke en jurisprudentiële eisen, omdat niet was aangetoond dat een fysiek onderzoek redelijkerwijs onmogelijk was. De rechtbank volgde het primaire betoog van betrokkene en wees het verzoek af. De rechtbank adviseerde om eventueel een nieuw verzoek in te dienen met een juiste medische verklaring en verwees naar de mogelijkheid van een zelfbindingsverklaring.

Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van een fysiek psychiatrisch onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
AFWIJZING VAN HET VERZOEK TOT HET VERLENEN VAN EEN ZORGMACHTIGING
zaak-/rekestnr.: C/15/340464 / FA RK 23-2568
beschikking van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2023,
naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wonende aan [adres] ,
hierna: betrokkene,
advocaat mr. A. Spel, gevestigd te Alkmaar.

1.Procedure

1.1.
Bij het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 15 juni 2023, heeft de officier van justitie verzocht om afgifte van een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
1.2.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de politiemutaties van 15 mei 2023;
  • het zorgplan van 30 mei 2023;
  • de medische verklaring van 13 juni 2023;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur van 13 juni 2023;
  • een verklaring niet voorkomen in het curatele- en bewindregister van 15 juni 2023.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 juli 2023 in het gebouw van de rechtbank.
1.4.
De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- [coördinerend behandelaar] , coördinerend behandelaar;
- [casemanager] , casemanager.
1.5.
De officier van justitie heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.Beoordeling

2.1.
In de medische verklaring is vermeld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een bipolaire 1 stoornis en een stoornis in het autisme spectrum. Voorts is in die verklaring vermeld dat er als gevolg van die stoornissen sprake is van ernstig nadeel, te weten:
- ernstige psychische schade voor zichzelf en/of voor anderen;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
2.2.
Betrokkene heeft primair betoogd dat er geen grondslag is voor het toewijzen van het verzoek, omdat de medische verklaring niet voldoet aan de daaraan – gezien de beschikking van de Hoge Raad van 21 april 2023 – te stellen eisen. Subsidiair is betoogd dat een zorgmachtiging niet nodig is, omdat betrokkene sinds november 2022 goed samenwerkt met haar behandelaars en bereid is om op vrijwillige basis haar behandeling voort te zetten. Meer subsidiair heeft betrokkene gesteld dat haar wensen en voorkeuren ten aanzien van de verplichte zorg moeten worden gehonoreerd, omdat zij ten aanzien daarvan als wilsbekwaam is aangemerkt. Uiterst subsidiair heeft betrokkene betoogd dat de officier van justitie heeft verzocht om diverse vormen van verplichte zorg, die in haar geval overbodig zijn. Als de zorgmachtiging zou worden verleend, dan meent zij dat die vormen van verplichte zorg niet moeten worden toegestaan.
2.3.
De behandelaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een zorgmachtiging in het geval van betrokkene nodig is. De samenwerking is de laatste tijd redelijk geweest, maar de ervaring leert dat betrokkene ook boos en geagiteerd kan zijn. In een dergelijke stemming kan betrokkene uit de samenwerking raken en de situatie escaleren, waarna er ernstig nadeel optreedt voor betrokkene en haar omgeving. Ook kan de aanstaande bevalling van betrokkene voor ontregeling zorgen.
2.4.
De rechtbank overweegt dat uit de beschikking van de Hoge Raad van 21 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:663) volgt dat het uitgangspunt voor het verrichten van medisch onderzoek ten behoeve van het opstellen van een medische verklaring is dat een betrokkene door een onafhankelijke psychiater wordt onderzocht in diens fysieke aanwezigheid. Dat is slechts anders indien uit de omstandigheden van het concrete geval blijkt dat het voor de psychiater redelijkerwijs niet mogelijk was om een onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene te verrichten. Deze jurisprudentielijn vloeit blijkens de beschikking van de Hoge Raad van 25 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1509) voort uit de rechtspraak van het EHRM.
2.5.
Uit de medische verklaring en de bespreking ter zitting blijkt dat het medische onderzoek in dit geval via beeldbellen heeft plaatsgevonden. Uit angst voor een man met wie zij een relatie heeft gehad, wilde betrokkene voor het medisch onderzoek niet naar het GGZterrein komen waar de psychiater kantoor houdt. Uit angst voor diezelfde man verbleef betrokkene niet in haar eigen woning, maar bij een vriendin. Betrokkene wilde ook niet dat de psychiater naar dit tijdelijke verblijfsadres zou komen voor het medisch onderzoek, omdat zij bang was dat het adres dan bekend zou kunnen worden. Toen de psychiater betrokkene aanbood om het medisch onderzoek via beeldbellen te verrichten, heeft zij daarmee ingestemd. De advocaat van betrokkene heeft er ter zitting op gewezen dat de psychiater meer moeite had moeten doen om het medisch onderzoek in de fysieke aanwezigheid van betrokkene te verrichten, bijvoorbeeld door dit te laten plaatsvinden op een andere GGZlocatie. De advocaat heeft gesteld dat de psychiater door het niet aanbieden van alternatieve mogelijkheden voor een medisch onderzoek in de fysieke aanwezigheid van betrokkene, een medische verklaring heeft opgesteld die niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
2.6.
De rechtbank is met (de advocaat van) betrokkene van oordeel dat, gelet op de maatstaf die de Hoge Raad hanteert, het medische onderzoek niet voldoet aan de daaraan op grond van de Wvggz en de relevante jurisprudentie te stellen eisen. Niet gebleken is dat het in dit geval voor de psychiater redelijkerwijs niet mogelijk was om een onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene te verrichten, nu er hoogstwaarschijnlijk (GGZ-)locaties beschikbaar waren waartegen betrokkene geen bezwaar zou hebben. De omstandigheid dat betrokkene zich in haar situatie genoodzaakt heeft geacht om in te stemmen met het voorstel om het onderzoek via beeldbellen te verrichten, maakt dat niet anders. Dat betekent dat de medische verklaring, vanwege het feit dat het medisch onderzoek via beeldbellen is verricht, geen grondslag kan bieden voor het verlenen van de verzochte zorgmachtiging.
2.7.
De rechtbank wijst daarom het verzoek van de officier van justitie af.
2.8.
Bij deze afwijzing heeft de rechtbank het primaire betoog van betrokkene gevolgd. Dat betekent dat de overige betogen van betrokkene geen bespreking behoeven.
2.9.
De rechtbank overweegt tot slot dat het aan de behandelaar is om, in overleg met de officier van justitie, te beoordelen of het opportuun is om een nieuw verzoek om een zorgmachtiging in te dienen, dat voldoet aan de wettelijke vereisten. Gezien de sterke behoefte van betrokkene om eigen regie te kunnen voeren in haar behandeling, valt wellicht ook een zelfbindingsverklaring als bedoeld in artikel 4:1 van Pro de Wvggz te overwegen. Duidelijk is immers dat ook betrokkene wenst te voorkomen dat zij opnieuw in een crisissituatie terechtkomt en opnieuw met inzet van politie en een ambulance zal moeten worden opgenomen.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst af het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van E.B.B.M. van Linden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2023.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 juli 2023.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.