De rechtbank Noord-Holland heeft op 14 juli 2023 uitspraak gedaan in een zaak over de beëindiging van het ouderlijk gezag van een vader over zijn dochter, die al ruim drie jaar bij haar pleegvader woont. De vader oefende sinds 2018 eenhoofdig gezag uit, maar kon door persoonlijke problematiek zoals verslaving, detentie en instabiele woon- en relatieomstandigheden niet voldoende beschikbaar zijn voor zijn dochter. De minderjarige werd onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in het netwerkpleeggezin van haar grootouders, waarbij de moeder vanwege psychiatrische problematiek geen gezag kon uitoefenen.
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om beëindiging van het gezag van de vader en benoeming van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers tot voogd. De rechtbank oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de vader niet binnen een aanvaardbare termijn zijn verzorging en opvoeding kan waarborgen. De vader stond niet volmondig achter de plaatsing bij de pleegvader en was structureel oneens met beslissingen van de GI, wat nadelig was voor de minderjarige.
De rechtbank achtte het belang van de minderjarige gediend met beëindiging van het gezag en benoeming van de GI tot voogd, mede gezien het perspectief dat de pleegvader de zorg op korte termijn draagt, maar dat een moederfiguur in de toekomst wenselijk kan zijn. De pleegvader wenste zelf geen voogdij en staat open voor contact tussen de minderjarige en haar ouders. De rechtbank sprak de hoop uit dat de vader vanuit zijn wens tot verandering positief betrokken blijft bij zijn dochter.