Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019 en een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. In de ingebrekestelling werd echter een onjuist referentienummer vermeld dat correspondeerde met het bezwaar van zijn fiscaal partner, zijn broer, en ontbrak het BSN van eiser. Verweerder stelde dat de ingebrekestelling daardoor niet te herleiden was tot het bezwaar van eiser.
De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling op zichzelf voldoende duidelijk moet zijn over welk bezwaar het gaat. Het onjuiste referentienummer kwam voor rekening van eiser. Verweerder mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat de ingebrekestelling namens de fiscaal partner was ingediend en was niet verplicht om om een machtiging te vragen. De stelling van ambtelijk verzuim werd verworpen.
Omdat het beroep gericht was tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en verweerder inmiddels uitspraak op bezwaar had gedaan, was het procesbelang voor dat deel van het beroep vervallen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ging om het niet tijdig beslissen en wees het verzoek om een dwangsom af. Wel werd eiser het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak is gedaan door rechter A.A. Fase op 31 juli 2023 te Haarlem. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.