ECLI:NL:RBNHO:2023:832
Rechtbank Noord-Holland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering terugbetaling kosten huishouding ex-partners na beëindiging samenlevingsovereenkomst
De man en vrouw hadden een affectieve relatie en een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin afspraken stonden over de verdeling van kosten van de huishouding. Na het feitelijk beëindigen van de samenleving in december 2019 en de opzegging van de overeenkomst in februari 2020 ontstond een geschil over de terugbetaling van voorgeschoten kosten door de man.
De man vorderde betaling van kosten die hij had voorgeschoten over 2019 en 2020, maar de vrouw verweerde zich onder meer met het verweer dat het eerdere vonnis van 16 september 2020 gezag van gewijsde toekwam voor de kosten over 2019 en dat de samenleving in 2019 feitelijk was geëindigd, waardoor kosten over 2020 niet als gemeenschappelijke huishoudkosten konden worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat de vordering over 2019 niet ontvankelijk was vanwege gezag van gewijsde van het eerdere vonnis, en dat de kosten over 2020 niet konden worden toegerekend aan de gemeenschappelijke huishouding omdat de samenleving feitelijk was beëindigd. Daarnaast was de onderbouwing van de kosten onvoldoende. De vordering werd daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de man tot terugbetaling van kosten van de huishouding worden afgewezen.