Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen op een weggedeelte bestemd voor bepaalde voertuigen. Tegen de boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 23 mei 2023 verscheen zowel de gemachtigde van betrokkene als de vertegenwoordiger van de officier van justitie. De officier van justitie gaf aan de feitcode en het boetebedrag te willen wijzigen, maar het beroep verder ongegrond te verklaren. De kantonrechter wijzigde de feitcode in R550A en matigde het boetebedrag naar € 100,00.
Betrokkene voerde aan dat de ambtenaar niet bevoegd was de boete op te leggen vanwege het ontbreken van instemming van het Openbaar Ministerie voor digitaal handhaven. De kantonrechter oordeelde dat de bevoegdheid van de ambtenaar in beginsel mag worden aangenomen en dat betrokkene onvoldoende gemotiveerd betwistte dat die instemming ontbrak.
De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, wijzigde de feitcode en het boetebedrag, en wees een proceskostenvergoeding van € 1.284,75 toe aan betrokkene. De officier van justitie werd veroordeeld tot terugbetaling van te veel betaalde zekerheidstelling en tot vergoeding van de proceskosten.