Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [plaats] , verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Pijler 2:
- het sluiten van contracten met reclame-exploitanten;
- het bepalen en periodiek herijken van beleid rondom reclame;
- het ontwikkelen van de mogelijkheid reclameobjecten voor bredere communicatiedoeleinden te gebruiken en informatieve boodschappen met reclame te combineren;
- het voorbereiden en voeren van gerechtelijke procedures;
- het houden van enquêtes onder bewoners en bezoekers;
- het voeren van overleg met de wethouder;
- het informeren van het college en de raad en behandeling door college en raad;
- het voeren van overleg met de reclame-exploitanten;
- het onderhandelen met reclame-exploitanten;
- het (eventueel) leveren van elektriciteit en/of het doorbelasten daarvan;
- het voeren van evaluatiegesprekken met de reclame-exploitanten;
- het in behandeling nemen / doorzetten van klachten / meldingen en vragen van reclame-exploitanten, inwoners en raadsleden;
- het beoordelen van de geschiktheid van lichtmasten voor de bevestiging van een lichtbak;
- het toezicht houden en surveilleren op illegaal geplaatste reclameobjecten;
- het toezicht houden op naleving van de gesloten overeenkomsten;
- het zorgdragen voor een goede bereikbaarheid/zichtbaarheid van de reclameobjecten;
- het zorgdragen dat binnen de overeengekomen afstand geen andere reclame exploitatie plaatsvindt dan contractueel overeengekomen;
- het beoordelen van de door de reclame-exploitant ontvangen rapportages;
- het factureren van de overeengekomen vergoedingen en de controle of deze worden afgedragen.
Geschil10. In geschil is of eiseres een onderneming drijft met haar reclameactiviteiten (door middel van het sluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten) en daarvoor belastingplichtig is op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb). Meer specifiek is in geschil of:
- de reclameactiviteiten los kunnen worden gezien van de niet-belastingplichtige activiteit “het beheer van de openbare ruimte”;
- sprake is van (meer dan) normaal vermogensbeheer, waarbij het de vraag is of de reclameactiviteiten “het tegen vergoeding ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan reclame-exploitanten” is (verhuur van onroerend goed);
- sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, en
- eiseres deelneemt aan het economische verkeer.
.Eiseres stelt zich op het standpunt dat een vergoeding voor het gebruik van vermogensbestanddelen of grond in aftrek kan worden gebracht op de opbrengsten uit de reclameactiviteiten. In dit kader benoemt eiseres dat zij niet zonder vergoeding grond of andere vermogensbestanddelen aan derden ter beschikking kan stellen. Eiseres noemt als voorbeelden erfpacht, marktgelden, parkeren en de verhuur van grond. Ter verdere onderbouwing voert eiseres aan dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er binnen een en hetzelfde (publiekrechtelijk) lichaam op grond van artikel 3.8 van de Wet IB 2001 een eventuele correctie dient plaats te vinden voor onzakelijk handelen tussen de belaste sfeer (reclameactiviteiten) en de onbelaste sfeer (het beheer van de openbare ruimte). Daarbij maakt het niet uit dat de niet-belastingplichtige activiteit een dienst ‘verricht’ aan de belastingplichtige activiteit. Als een overheidsonderneming vergelijkbare transacties met derde partijen aangaat, kunnen de voorwaarden waaronder of prijzen waartegen deze plaatsvinden, als zakelijke prijs voor een transactie met het gelieerde lichaam worden gebruikt. Deze vergelijkbare transactie is aanwezig. De reclame-exploitanten betalen in totaal een vergoeding van € 14.879.342 aan de gemeente. Deze vergoeding is volgens eiseres tot stand gekomen tussen onafhankelijke partijen die met elkaar handelen en dus zakelijk. Een winstpercentage van 3% op de totale vergoeding acht eiseres in deze markt zakelijk, zijnde € 446.380. De gebruiksvergoeding die de niet-belastingplichtige activiteit in rekening brengt aan de belastingplichtige reclameactiviteit is € 14.432.962 (€ 14.879.342 - € 446.380). Naast de gebruiksvergoeding worden in beginsel ook andere kosten gemaakt voor de reclameactiviteiten, zijnde € 335.999. Bij de belastingplichtige reclameactiviteiten resteert een belastbare winst van € 110.381 (€ 14.879.342 - € 14.432.962 - € 335.999). Het winstpercentage van 3% heeft eiseres tevens afgezet tegen de cost-plus methode. De winst zal bij toepassing van de cost-plus methode naar verwachting zelfs iets lager zijn. De cost-plus methode voegt een opslag toe op de kosten (ad € 335.999) die de belastingplichtige reclameactiviteit heeft gemaakt met betrekking tot de vervulde functies, aldus eiseres.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag vennootschapsbelasting 2016 tot een berekend naar een belastbare winst van € 15.748.612;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar en,
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.