ECLI:NL:RBNHO:2023:8973

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 juni 2023
Publicatiedatum
8 september 2023
Zaaknummer
10446264 \ WM VERZ 23-255
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WAHVArt. 9 WAHVArt. 14 WAHV
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor vasthouden mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden bevestigd

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Betrokkene betwist de boete en voert aan dat er een houder aanwezig was, twijfelt aan het tijdstip en vermoedt een onjuist kenteken, mede omdat er geen foto of staandehouding heeft plaatsgevonden.

De officier van justitie handhaafde de boete en verzocht de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren. De kantonrechter overwoog dat een staandehouding niet mogelijk was vanwege veiligheidsredenen en het ontbreken van stopmiddelen in het onopvallende voertuig van de verbalisant. Dit maakt dat de boete terecht aan de kentekenhouder is opgelegd.

De verklaring van de verbalisant, die drie seconden onbelemmerd de bestuurder met een mobiel in de hand zag, werd als voldoende bewijs gezien. De betrokkene leverde onvoldoende concrete feiten om aan deze verklaring te twijfelen. De kantonrechter zag ook geen reden om de boete te matigen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete voor het vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 10446264 \ WM VERZ 23-255
CJIB-nummer : 245640951
Uitspraakdatum : 16 juni 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]

1.Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting

1.1.
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 16 juni 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

2.Overwegingen

2.1.
De gedraging
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
2.2.
Het verweer tegen de opgelegde boete
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft aangevoerd dat er een houder in de auto zit voor de telefoon. Betrokkene twijfelt ook aan het tijdstip. Betrokkene heeft het vermoeden dat er een onjuist kenteken is genoteerd, omdat er ook geen foto of staandehouding is geweest.
2.3.
Het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.
2.4.
de beoordeling van het verweer met betrekking tot de staandehouding
Relevant is of artikel 5 van Pro de Wahv is geschonden. De verbalisant heeft verklaard dat de reden dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden de volgende was: “(…)
niet mogelijk in verband met gevaarzitting onopvallend voertuig niet voorzien van een transparant (…)”. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de verbalisant geen middelen zoals een stoptransparant of optische- en geluidssignalen voorhanden had. Bovendien is de gedraging geconstateerd op een snelweg. Het is naar het oordeel van de kantonrechter niet mogelijk om – op een veilige en verantwoorde wijze – rijdend in een onopvallend voertuig zonder stopmiddelen de aandacht van de bestuurder van een ander voertuig te trekken en dit is daarom geen reële mogelijkheid. Aldus biedt de verklaring van de verbalisant voldoende grond voor het oordeel dat zich in het onderhavige geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
2.5.
De beoordeling van de gedraging waarvoor de boete is opgelegd
Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
“(…) Gedragingsgegevens: Ik heb de bestuurder van het genoemde voertuig niet kunnen staande houden, omdat onopvallend voertuig. Ik zag dat de bestuurder van het genoemde voertuig tijdens het rijden een mobiele telefoon met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat de bestuurder van de bovengenoemde personenauto een mobiele telefoon vasthield in zijn rechterhand tijdens het rijden en naar het scherm keek. Ik heb deze waarnemingen gedaan door het genoemde voertuig langzaam in te halen, waarbij ik 3 seconden duidelijk en onbelemmerd in het genoemde voertuig kon kijken. (…)Reden geen staandehouding: niet mogelijk in verband met gevaarsetting, onopvallend voertuig niet voorzien van transparant.”
In WAHV-zaken biedt de verklaring van een verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Dit is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring van de verbalisant dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De verbalisant heeft verklaard dat de bestuurder een mobiele telefoon in zijn rechterhand hield en naar het scherm keek. Daarnaast heeft de verbalisant drie seconden duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. Verbalisanten zijn getraind om dit soort waarnemingen te doen. Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D.M. Hazeu, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: