Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het fietsen. Tegen deze boete stelde betrokkene beroep in bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens richtte betrokkene zich tot de kantonrechter.
Betrokkene ontkende de gedraging en stelde dat hij een zwarte portefeuille vasthield in plaats van een telefoon. Hij voerde ook aan dat de motivering van de officier van justitie onvoldoende was omdat deze niet op zijn verweren was ingegaan. De kantonrechter oordeelde echter dat de beslissing van de officier van justitie voldoende was gemotiveerd en dat de verklaring van de verbalisant doorslaggevend was.
De kantonrechter stelde vast dat betrokkene tijdens de staandehouding niets had gezegd over een portefeuille en dat er geen reden was om aan de juistheid van de verbalisant te twijfelen. Ook het argument dat meerdere personen zich schuldig maakten aan dezelfde gedraging was niet relevant voor de beoordeling. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de boete in stand.