De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van een lopend zedenonderzoek waarbij de moeder als verdachte wordt beschouwd. De minderjarige verbleef sinds 1 september 2023 bij de vader, ondanks dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder is. De kinderrechter had op 6 september 2023 een spoedmachtiging verleend voor uithuisplaatsing bij de vader voor vier weken.
Tijdens de mondelinge behandeling op 19 september 2023 werden de belangen van de vader, moeder en GI gehoord. De vader steunde het verzoek en uitte ernstige zorgen over de veiligheid van de minderjarige bij de moeder. De moeder betwistte de beschuldigingen en stelde dat het onderzoek voortgezet kan worden zonder dat de minderjarige uit huis geplaatst hoeft te worden.
De kinderrechter oordeelde dat hoewel het spoedverzoek aanvankelijk terecht was, voortzetting van de uithuisplaatsing niet noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De veroordelende houding van de vader en de hevige ouderlijke strijd kunnen het onafhankelijke onderzoek belemmeren. Ook ontbrak onderbouwing dat de minderjarige niet bij de moeder mag verblijven tijdens het onderzoek. De kinderrechter bekrachtigde daarom de uithuisplaatsing tot 26 september 2023 en wees het verzoek tot verlenging af.