ECLI:NL:RBNHO:2023:966

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 februari 2023
Publicatiedatum
8 februari 2023
Zaaknummer
9733565 \ CV EXPL 22-1431
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen verstekvonnis inzake compensatie bij vluchtvertraging wegens vermeende buitengewone omstandigheden

De zaak betreft een vordering van AirHelp tegen Etihad Airways PJSC tot compensatie wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op vlucht EY264 van Abu Dhabi naar Colombo op 17 en 18 juni 2019. AirHelp baseert haar vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder werd bij verstek veroordeeld, waarna zij in verzet kwam en stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de aanslagen in Colombo op 21 april 2019, die een aanpassing van het vluchtplan noodzakelijk maakten om de veiligheid te waarborgen.

De rechtbank oordeelt dat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat de wijziging van het vluchtplan verband hield met de aanslagen en dat de vertraging daardoor is veroorzaakt. Er is geen bewijs geleverd van interne besluitvorming of andere documenten die de reden voor de wijziging aantonen.

Het beroep op buitengewone omstandigheden faalt daarom en het verzet wordt ongegrond verklaard. Het verstekvonnis wordt bevestigd en de vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bevestigd; de vervoerder moet compensatie betalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9733565 \ CV EXPL 22-1431 (DH)
Uitspraakdatum: 8 februari 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de buitenlandse vennootschap
Etihad Airways PJSC
gevestigd te Abu Dhabi (Verenigde Arabische Emiraten)
eiser in het verzet
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. J.R.L. Sanders
tegen
de vennootschap naar het recht van haar vestiging
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
gedaagde in het verzet
hierna te noemen AirHelp
gemachtigde mr. D.E. Lof

1.Het procesverloop

1.1.
AirHelp heeft bij inleidende dagvaarding van 2 juni 2021 een vordering ingesteld tegen de vervoerder. De vervoerder is niet verschenen, waarna de vervoerder bij verstekvonnis van 7 juli 2021 is veroordeeld.
1.2.
Bij dagvaarding van 25 februari 2022 is de vervoerder in verzet gekomen van dat verstekvonnis. AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[de passagier] (hierna te noemen: de passagier) heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier op 17 juni 2019 diende te vervoeren van Amsterdam naar Abu Dhabi (Verenigde Arabische Emiraten) en aansluitend op 18 juni 2019 van Abu Dhabi naar Colombo (Sri Lanka) met vluchtnummer EY264.
2.2.
Vlucht EY264 (hierna: de vlucht) had als geplande vertrektijd 09:40 uur en als geplande aankomsttijd 15:45 uur. De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen. De vlucht is om 13:57 uur vertrokken vanaf Abu Dhabi en om 20:00 uur te Colombo aangekomen.
2.3.
De passagier heeft haar vermeende vorderingsrecht gecedeerd aan AirHelp.
2.4.
AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering en het verweer

3.1.
AirHelp heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag van betaling;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de compensatie te voldoen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.
3.3.
De vervoerder is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.
3.4.
De vervoerder vordert in de verzetdagvaarding om het vonnis van 7 juli 2021 te vernietigen, ontheffing van de veroordeling in eerdergenoemd verstekvonnis en afwijzing van de vordering van AirHelp. Daartoe voert de vervoerder - samengevat – aan dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, zodat de vervoerder niet gehouden is compensatie te betalen.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming te Colombo, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht is vertraagd ten gevolge van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Volgens de vervoerder hebben er op 21 april 2019 een reeks aanslagen plaatsgevonden in Colombo, zijnde de eindbestemming. Hierdoor heeft de vervoerder besloten het vluchtplan van de vlucht zodanig aan te passen waardoor het personeel en de passagiers die op doorvlucht zijn, zo kort mogelijk aan de grond zouden zijn in Sri Lanka. Het vluchtplan werd tot en met 30 juni 2019 aangepast, aldus de vervoerder. Dit was volgens de vervoerder nodig om de veiligheid van het personeel van de vervoerder en de passagiers te kunnen waarborgen. De vervoerder meent dat de veiligheidsmaatregelen zijn genomen in verband met een buitengewone omstandigheid waarop de vervoerder geen daadwerkelijke invloed kon uitoefenen.
4.4.
AirHelp stelt dat de verdachten een aantal weken na de aanslagen waren opgepakt. Volgens AirHelp is niet gebleken dat andere luchtvaartmaatschappijen wijzigingen in hun vluchtschema’s hebben aangebracht. Daarnaast heeft de vervoerder volgens AirHelp niet onderbouwd dat het vluchtplan is aangepast vanwege de veiligheid van de passagiers en personeel van de vervoerder en is het niet uitgesloten dat de wijziging van het vluchtplan commercieel interessant was voor de vervoerder. De vervoerder heeft volgens AirHelp niet aangetoond dat de wijziging van het vluchtplan het gevolg was van de aanslagen die twee maanden daarvoor hadden plaatsgevonden.
4.5.
De vervoerder heeft ter onderbouwing van zijn verweer een schema overgelegd van de uitvoering van vluchten van Abu Dhabi naar Colombo in de periode van 18 april 2019 tot en met 30 juni 2019 enerzijds (productie 4 bij de verzetdagvaarding) en in de periode van 1 juli 2019 tot en met 17 juli 2019 anderzijds (productie 5 bij de verzetdagvaarding). Bij de conclusie van repliek in verzet heeft de vervoerder voorts een tweetal e-mails overgelegd van 23 april 2019 van Aaiyasha Parkar (short term operations – Scheduling Controller Network Operations).
4.6.
AirHelp is per abuis niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op de producties bij de conclusie van repliek in verzet. De kantonrechter ziet geen aanleiding om AirHelp hiertoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Daartoe wordt als volgt overwogen. De omstandigheid dat vluchten van andere luchtvaartmaatschappijen wel volgens planning zijn uitgevoerd, betekent niet per definitie dat er geen enkel risico bestond of dat de beslissing van de vervoerder niet goed verdedigbaar is geweest. Echter, nergens blijkt uit dat het vluchtplan is gewijzigd in verband met de onzekere en onveilige situatie in Colombo en/of om ervoor te zorgen dat het personeel en de passagiers op doorvlucht zo kort mogelijk aan de grond zouden zijn, zoals de vervoerder heeft aangevoerd. Uit de door de vervoerder overgelegde stukken blijkt alleen dát het vluchtplan is gewijzigd, maar niet om welke reden. De vervoerder had dit bijvoorbeeld kunnen onderbouwen met een verslag van een intern overleg waarin het besluit tot de wijziging van het vluchtplan – en vooral de reden die aan dat besluit ten grondslag lag - is vastgelegd. Nu de vervoerder dit heeft nagelaten, kan niet worden uitgesloten dat de vertraging van de vlucht, die op 17 en 18 juni 2019 is uitgevoerd, een andere oorzaak had dan de aanslagen in Colombo die op 21 april 2019 hebben plaatsgevonden.
4.7.
Het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden slaagt dan ook niet. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder voldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen.
4.8.
De conclusie is dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd. De vervoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 7 juli 2021 met zaaknummer 9275823 \ CV EXPL 21-3986;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor AirHelp worden vastgesteld op een bedrag van € 132,00 aan salaris van de gemachtigde van AirHelp;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter