Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
het meer subsidiaire feitheeft begaan, met dien verstande dat hij:
4.Strafbaarheid en kwalificatie van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Strafmotivering
7.Vordering benadeelde partij
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
een gevangenisstraf van zes maanden.
€ 1.650,-, betreffende € 150,- aan materiële schadevergoeding en € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 29 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
schadevergoedingsmaatregelten behoeve van [slachtoffer] de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.650,- , vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 29 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
26 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.