ECLI:NL:RBNHO:2024:10084

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
1 oktober 2024
Zaaknummer
15/322602-21
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan bewijs mishandeling stiefkind

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 17 september 2024 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van mishandeling en opzettelijke benadeling van de gezondheid van zijn stiefkind in de periode van 3 mei 2013 tot en met 1 juni 2016. De tenlastelegging omvatte diverse vormen van mishandeling, zoals opsluiting, fysieke straffen en ontzegging van eten en drinken.

De officier van justitie vorderde vrijspraak wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging ondersteunde dit standpunt en wees op de vechtscheiding tussen verdachte en de moeder van het stiefkind, het lange tijdsverloop en tegenstrijdige verklaringen. Het vermeende slachtoffer was niet gehoord tijdens het onderzoek.

De rechtbank oordeelde dat het dossier summier was en dat het schriftelijke stuk van een psycholoog beperkte bewijswaarde had. Door het tijdsverloop en de context van de vechtscheiding kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld wat er precies was gebeurd en of er sprake was van mishandeling. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van €3.000,- door het stiefkind niet-ontvankelijk verklaard, omdat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend was bewezen. De rechtbank besloot tot vrijspraak en niet-ontvankelijkheid van de vordering.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs en de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de schadevordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/322602-21
Uitspraakdatum: 17 september 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2024 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Kramer, en van hetgeen de verdachte en zijn advocaat, mr. G. Kaaij, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 mei 2013 tot en met 1 juni 2016 te Medemblik, in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) een kind over wie hij het gezag uitoefende en/of een kind dat hij verzorgde en/of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [benadeelde] (geboren op [geboortedatum 2]) opzettelijk heeft mishandeld en/of opzettelijk de gezondheid van die [benadeelde] heeft benadeeld, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal,
die [benadeelde] onder meer
- gekleineerd en/of uitgescholden en/of
- in de regen naar buiten gestuurd en/of
- opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de avond/nacht en/of meerdere uren achter elkaar), waardoor die [benadeelde] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd zijn behoefte in een kom in die kamer/ruimte te doen) en/of geen (vrije) toegang had tot eten en/of drinken (waardoor die [benadeelde] zich genoodzaakt zag zijn eigen urine te drinken);
- met kleding aan onder een koude douche gezet en/of
- hardhandig aan zijn arm/pols vastgepakt/gehouden en/of in zijn arm geknepen en/of
- met een vork in zijn hand gedrukt en/of
- ( hard) op de billen geslagen;
waardoor die [benadeelde] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of waardoor een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij die [benadeelde] is veroorzaakt.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3.
Standpunten van partijen
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Wat betreft het ten laste gelegde opsluiten van [benadeelde] (hierna: [benadeelde]) is onduidelijk hoe lang dit is geweest en of dit alleen door de verdachte en moedwillig is gedaan. Ook voor de overige ten laste gelegde handelingen ziet de officier van justitie onvoldoende bewijs.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft eveneens vrijspraak bepleit. De verdachte en de moeder van [benadeelde] zijn met ruzie uit elkaar gegaan. Er is sprake geweest van een vechtscheiding die zijn weerslag heeft gehad op [benadeelde]. De gebeurtenissen hebben lang geleden plaatsgevonden en de verklaringen in het dossier zijn op punten ook tegenstrijdig. Mede gelet op het tijdsverloop is op dit moment niet meer vast te stellen wat er precies is gebeurd.

4.VrijspraakDe verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 3 mei 2013 tot en met 1 juni 2016 [benadeelde], destijds zijn stiefkind, heeft mishandeld en/of opzettelijk zijn gezondheid heeft benadeeld. De rechtbank is van oordeel dat voor deze verdenking het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt en overweegt daartoe als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een summier onderzoek waarbij het vermeende slachtoffer niet is gehoord. In het dossier bevindt zich een schriftelijk stuk waarin, zo begrijpt de rechtbank, ervaringen van [benadeelde] met de verdachte zijn beschreven, opgetekend door een psycholoog bij wie [benadeelde] destijds in behandeling was voor PTSS-klachten verband houdend met meningitis en gebeurtenissen met de verdachte.
Hoewel de rechtbank wil aannemen dat het stuk met oprechte bedoelingen is opgesteld binnen het kader van de hulpverlening voor [benadeelde], is de bewijswaarde van zo’n schriftelijk stuk in het strafproces (zeer) beperkt. De beoordeling van de zaak wordt verder bemoeilijkt door het lange tijdsverloop en de omstandigheid dat de verklaringen die wél zijn afgelegd (door onder meer moeder en een buurvrouw/vriendin van moeder) lastig te beoordelen zijn tegen de achtergrond van een lopende ‘vechtscheiding’ tussen de verdachte en de moeder van [benadeelde]. De rechtbank kan op basis van de stukken in dit - overigens summiere - dossier, uiteindelijk in onvoldoende mate vaststellen wat er in de ten laste gelegde periode precies is gebeurd en of bepaalde gebeurtenissen, indien al vast te stellen, als fysieke dan wel psychische mishandeling gekwalificeerd kunnen worden.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de gehele tenlastelegging.

5.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] ([benadeelde]) heeft – via zijn moeder als wettelijk vertegenwoordiger – een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Omdat niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd, kan de benadeelde partij niet in deze vordering worden ontvangen.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.M. Poecke, voorzitter, en
mrs. M. Hoendervoogt en A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 september 2024.