Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
Standpunten van partijen
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 17 september 2024 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van mishandeling en opzettelijke benadeling van de gezondheid van zijn stiefkind in de periode van 3 mei 2013 tot en met 1 juni 2016. De tenlastelegging omvatte diverse vormen van mishandeling, zoals opsluiting, fysieke straffen en ontzegging van eten en drinken.
De officier van justitie vorderde vrijspraak wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging ondersteunde dit standpunt en wees op de vechtscheiding tussen verdachte en de moeder van het stiefkind, het lange tijdsverloop en tegenstrijdige verklaringen. Het vermeende slachtoffer was niet gehoord tijdens het onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat het dossier summier was en dat het schriftelijke stuk van een psycholoog beperkte bewijswaarde had. Door het tijdsverloop en de context van de vechtscheiding kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld wat er precies was gebeurd en of er sprake was van mishandeling. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van €3.000,- door het stiefkind niet-ontvankelijk verklaard, omdat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend was bewezen. De rechtbank besloot tot vrijspraak en niet-ontvankelijkheid van de vordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs en de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de schadevordering.