De zaak betreft een verzoek tot opheffing van het testamentaire bewind ingesteld door de overleden erflaatster over het vermogen van haar kinderen. De erflaatster was in 2014 overleden en had in haar testament haar echtgenoot benoemd tot executeur en bewindvoerder over de nalatenschap. Eiser, een van de kinderen, is inmiddels meerderjarig en wenst het bewind op te heffen zodat hij zijn erfdeel zelfstandig kan beheren.
De rechtbank overweegt dat het testament bepaalt dat het bewind na vijf jaar kan worden opgeheven indien aannemelijk is dat de eigenaar het vermogen zelf verantwoord kan beheren. Eiser heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij samen met een compagnon een goedlopende fietsenwinkel runt, mede-bestuurder en aandeelhouder is, en de administratie zelf bijhoudt. Dit maakt aannemelijk dat hij zijn vermogen zelfstandig kan beheren.
De tegenwerping van de bewindvoerder dat opheffing kan leiden tot verkoop van de woning waar de andere kinderen wonen, wordt door de rechtbank niet relevant geacht voor de vraag of het bewind nog nodig is. De rechtbank besluit daarom het testamentaire bewind op het aan eiser toekomende vermogen per direct op te heffen en houdt verdere beslissingen aan.