De passagiers vorderden compensatie van de vervoerder Deutsche Lufthansa AG wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Mumbai naar Frankfurt, waardoor zij hun aansluitende vlucht misten en met aanzienlijke vertraging op de eindbestemming aankwamen.
De vervoerder stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk restricties van de luchtverkeersleiding, waardoor de vlucht met 23 minuten vertraging aankwam. De passagiers betwistten echter dat de langdurige vertraging hierdoor werd veroorzaakt, omdat zij ondanks de initiële vertraging hun aansluitende vlucht hadden kunnen halen als zij niet voortijdig waren omgeboekt.
De vervoerder heeft dit betoog niet gemotiveerd weersproken, waardoor de rechtbank oordeelde dat de uiteindelijke vertraging niet aan buitengewone omstandigheden toe te schrijven was. De vordering tot compensatie van € 1.200,00 per passagier, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten, werd daarom toegewezen.
Daarnaast werden de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan de passagiers toegekend, met wettelijke rente vanaf relevante data. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.