De passagier sloot een vervoersovereenkomst met Air France voor een vlucht van Nantes naar Amsterdam op 3 mei 2021, die door de vervoerder werd geannuleerd. De passagier vorderde compensatie van €250 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.
Air France voerde verweer dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden vanwege de COVID-19-pandemie en de Franse lockdown, waardoor de vlucht nagenoeg leeg zou zijn geweest. De kantonrechter oordeelde echter dat de lage bezettingsgraad geen belemmering vormde voor het uitvoeren van de vlucht en dat er geen beperkende overheidsmaatregelen waren die de vlucht onmogelijk maakten.
De vervoerder kon daarom niet ontsnappen aan de compensatieplicht. De gevorderde incassokosten werden deels toegewezen tot het wettelijke tarief van €48,40. Ook werden proceskosten en wettelijke rente toegewezen. Het verzoek tot mondelinge behandeling werd afgewezen omdat dit niet noodzakelijk was voor een eerlijke rechtspleging.