De passagiers hadden een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam Schiphol naar Istanbul op 11 mei 2023, die met meer dan drie uur vertraging aankwam. De passagiers droegen hun vorderingsrecht over aan Airhelp, die compensatie eiste op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder stelde dat een deel van de vertraging te wijten was aan slotrestricties van de luchtverkeersleiding, een buitengewone omstandigheid, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De kantonrechter oordeelde dat het schuiven met de geplande vertrektijd (EOBT) door de vervoerder zelf was veroorzaakt en dat dit niet kwalificeert als buitengewone omstandigheid.
De vordering van Airhelp werd daarom toegewezen tot een bedrag van € 800,00 plus wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.