ECLI:NL:RBNHO:2024:10739

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 september 2024
Publicatiedatum
18 oktober 2024
Zaaknummer
9572866 \ CV EXPL 21-8181
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagiers krijgen compensatie voor vluchtvertraging door technisch mankement

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst met Transavia gesloten voor een vlucht van Napels naar Amsterdam op 11 september 2019. Door een technisch mankement aan het vliegtuig ontstond een vertraging van meer dan drie uur bij aankomst op de eindbestemming.

De passagiers vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, terwijl de vervoerder dit weigerde met het beroep op buitengewone omstandigheden vanwege restricties van de luchtverkeersleiding. De rechtbank oordeelde dat het technisch mankement de eerste oorzaak was van de vertraging en dat de daaropvolgende vertraging binnen de risicosfeer van de vervoerder viel.

De rechtbank wees de vordering tot compensatie en buitengerechtelijke incassokosten toe, inclusief wettelijke rente en proceskosten. Het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden werd verworpen omdat de restricties van de luchtverkeersleiding niet tijdig waren opgelegd en niet als oorzaak van de vertraging konden gelden.

De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van compensatie en kosten wegens vluchtvertraging door technisch mankement.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9572866 \ CV EXPL 21-8181
Uitspraakdatum: 25 september 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1],

2.
[eiser 2],beiden wonende te [plaats 1],
3.
[eiser 3],wonende te [plaats 2],
4.
[eiser 4],
5.
[eiser 5],
6.
[eiser 6],allen wonende te [plaats 3],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L. Kloot

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 september 2021;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- het bericht van 19 augustus 2024 met productie(s) van de vervoerder;
- de mondelinge behandeling van 30 augustus 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De passagiers hebben tijdens de mondelinge behandeling een akte overgelegd waarin schriftelijk wordt gereageerd op de producties die de vervoerder bij conclusie van dupliek heeft overgelegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 september 2019 vervoeren van Napels (Italië) naar Amsterdam Schiphol Airport met vlucht HV6412, hierna: de vlucht.
2.2.
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 363,00 dan wel € 272,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per passagier (artikel 7 van Pro de Verordening).
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

Buitengewone omstandigheden
4.1.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van artikel 7 van Pro de Verordening in beginsel de compensatie als bedoeld in de Verordening moet voldoen. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Dit artikel moet volgens het Hof strikt worden uitgelegd omdat het gaat om een afwijking van het beginsel dat passagiers recht hebben op compensatie (Wallentin-Hermann C-549/07, r.o. 20).
4.2.
De vervoerder voert aan dat de vlucht onderdeel uitmaakt van de rotatievlucht Amsterdam– Napels – Amsterdam. Zowel de voorafgaande vlucht (hierna: vlucht HV6411) als de vlucht in kwestie zouden op 11 september 2019 oorspronkelijk worden uitgevoerd met toestel PH-XRV. Door een technisch mankement is dit toestel gestrand in Valencia. De vervoerder heeft daarom besloten om een ander toestel (namelijk toestel PH-HSJ) in te zetten om de vluchten uit te voeren. Rekening houdend met de benodigde omdraaitijd, heeft de vervoerder de geplande vertrektijd - ook wel EOBT genoemd - van vlucht HV6411 om 07:27 uur (UTC) verplaatst van 11:10 uur (UTC) naar 13:25 uur (UTC). Dit heeft ten aanzien van vlucht HV6411 een vertraging van 2 uur en 15 minuten veroorzaakt. Voor deze vertragingsoorzaak heeft de vervoerder geen beroep gedaan op buitengewone omstandigheden.
4.3.
Om 12:45 uur (UTC) en om 14:48 uur (UTC) heeft de luchtverkeersleiding aan vlucht HV6411 een CTOT opgelegd met vertragingscode 82. Deze code ziet op personeelsproblemen bij de luchtverkeersleiding, die niet voor rekening of risico van de vervoerder komen. Vlucht HV6411 is vanwege de opgelegde restricties daadwerkelijk om 15:02 vertrokken. Niet in geschil is dat het vanaf 11:25 uur (UTC) – twee uur voor de aangepaste vertrektijd – mogelijk was om een restrictie van de luchtverkeersleiding te ontvangen. Volgens de vervoerder volgt uit het feit dat vlucht HV6411 pas om 12:45 uur (UTC) een restrictie opgelegd heeft gekregen dat sprake is van twee van elkaar losstaande vertragingsoorzaken, namelijk de vertraging door een technisch mankement (2 uur en 15 minuten) en de vertraging door restricties die zijn opgelegd door de luchtverkeersleiding (1 uur en 22 minuten). De vervoerder doet ten aanzien van deze laatste vertragingsoorzaak wél een beroep op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Gelet daarop is de vertraging minder dan drie uur geweest en hoeft geen compensatie betaald te worden, aldus de vervoerder. Het voorgaande is gemotiveerd weersproken door de passagiers.
4.4.
Niet is komen vast te staan dat vlucht HV6411 ook geconfronteerd zou zijn met restricties van de luchtverkeersleiding als deze vlucht op het oorspronkelijke tijdstip was vertrokken. Uit het feit dat de eerste restrictie pas om 12:45 uur (UTC) is opgelegd, dus ruim na de oorspronkelijke vertrektijd van vlucht HV6411, lijkt eerder het tegendeel te volgen. Het technisch mankement is de eerste schakel in de keten van de causaliteit die tot de uiteindelijke vertraging heeft geleid. Al hetgeen daarna is voorgevallen, valt binnen de risicosfeer van de vervoerder, althans is het feit dat de vlucht eerder is vertraagd wegens vertragingscode 82 in dit kader van ondergeschikt belang. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de Verordening een hoge mate van bescherming van de passagiers beoogt en restrictief moet worden uitgelegd (zie ook 4.1).
4.5.
Omdat de vertraging van vlucht HV6411 niet het gevolg was van buitengewone omstandigheden, kan de vraag of deze buitengewone omstandigheid doorwerkt naar de vlucht in kwestie, onbeantwoord blijven. De kantonrechter komt evenmin toe aan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken.
4.6.
Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen.
Overige kosten
4.7.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het subsidiair gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief (inclusief), zullen die gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.8.
De vervoerder zal grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.772,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.500,- vanaf 11 september 2019, en over € 272,25 vanaf 6 september 2021, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 119,21;
griffierecht € 240,00;
salaris gemachtigde € 408,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,- aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter