ECLI:NL:RBNHO:2024:11186

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 oktober 2024
Publicatiedatum
30 oktober 2024
Zaaknummer
11021962 \ CV EXPL 24-916
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:43 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling restantbedrag na ontbinding incasso-overeenkomst en afwijzing proceskostenvergoeding

In deze civiele zaak heeft een opdrachtgever de overeenkomst met een incassobureau beëindigd voordat de werkzaamheden waren voltooid. De opdrachtgever vordert terugbetaling van een restantbedrag van €21,18 dat het incassobureau nog niet had terugbetaald na beëindiging van de opdracht. Tevens vordert de opdrachtgever vergoeding van gemaakte juridische kosten en een verklaring voor recht over wanprestatie.

De rechtbank stelt vast dat het incassobureau het voorschot volledig heeft terugbetaald en dat het restantbedrag van €21,18 onbetwist is gebleven. De vordering tot terugbetaling van dit bedrag wordt daarom toegewezen met wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de ingebrekestelling. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt afgewezen omdat geen handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW is vastgesteld.

De vordering tot vergoeding van juridische kosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het incassobureau. De rechtbank oordeelt dat de opdrachtgever voortijdig tot dagvaarding is overgegaan terwijl het incassobureau binnen de gestelde termijn had betaald. De verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het incassobureau wordt veroordeeld tot betaling van €21,18 met wettelijke rente, proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11021962 \ CV EXPL 24-916 (BL)
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
[naam 1] V.O.F.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [naam 1] ,
gemachtigde: Aliter Melius B.V.,
tegen
JURISTU INCASSO JURISTEN B.V.,
te Heerhugowaard,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Juristu,
gemachtigde: P. de Ruijter.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om [naam 1] , een opdrachtgever, die de overeenkomst met Juristu, een incassobureau, beëindigt voordat de werkzaamheden van Juristu zijn voltooid. Eiser wil z’n geld terug, en het incassobureau betaalt € 21,18 te weinig terug. De zaak gaat nog om dit bedrag – wat wordt toegewezen, en een vergeefs beroep van [naam 1] op vergoeding van de werkelijke proceskosten.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16
- de akte overlegging producties 17 tot en met 21 van [naam 1] met wijziging van eis
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5
- de conclusie van repliek met productie 22
- de conclusie van dupliek

2.De feiten

2.1.
[naam 1] is een leverancier van natuursteen gerelateerde producten. Juristu is een incassobureau.
2.2.
Op 10 oktober 2023 is tussen partijen een overeenkomst gesloten, waarmee [naam 1] aan Juristu de opdracht heeft gegeven tot het incasseren van een openstaande vordering van [naam 1] op een klant.
2.3.
Juristu heeft op 12 oktober 2023 [naam 1] geadviseerd haar klant te dagvaarden. Daarbij heeft Juristu een kostenopgave gedaan voor het opstellen van een dagvaarding (€ 350,00 exclusief btw) en het als voorschot te betalen griffierecht (€ 322,00) en de kosten voor deurwaarderbetekening (€ 103,33 exclusief btw per persoon of bedrijf). [naam 1] heeft hierop akkoord gegeven.
2.4.
In een factuur van 12 oktober 2023 heeft Juristu een bedrag van € 423,50 inclusief btw aan [naam 1] in rekening gebracht voor het opstellen van de dagvaarding. [naam 1] heeft deze factuur betaald en Juristu heeft op 28 november 2023 een conceptdagvaarding ter beoordeling aan [naam 1] gestuurd.
2.5.
Op 11 december 2023 heeft Juristu een voorschot van € 455,00 inclusief btw aan [naam 1] in rekening gebracht voor deurwaarderskosten en griffierecht. [naam 1] heeft deze factuur betaald.
2.6.
Op 6 maart 2024 schrijft [naam 1] aan Juristu dat het haar volstrekt niet duidelijk is waarom zij nog steeds niets heeft ontvangen waaruit blijkt dat inmiddels is gedagvaard. [naam 1] schrijft verder:
“Indien de dagvaarding nog steeds niet is betekend wil ik hierbij de incasso opdracht terugnemen en stel ik u aansprakelijk voor geleden en te lijden schade. In dat geval dient u ook alle aan u betaalde kosten terug te betalen in verband met misleidende en onverschuldigde betalingen. Het termijn van terugbetaling zal binnen 7 dagen vanaf de datum van deze mail (6 maart 2024) moeten worden betaald.”
2.7.
In reactie daarop schrijft Juristu diezelfde dag:
“Wij begrijpen dat u zo spoedig mogelijk een roldatum wenst te ontvangen. Wij hebben echter geen invloed op het betekenen van de dagvaarding en de snelheid waarop een roldatum ingepland kan worden. Desondanks staat in het deurwaardersysteem dat zij naar verwachting eind deze week zullen overgaan tot betekening van de dagvaarding. Derhalve kunnen wij u volgende week voorzien van een eerste roldatum.”
2.8.
[naam 1] heeft juridisch adviesbureau Aliter Melius ingeschakeld, die in een e-mail van 7 maart 2024 aan Juristu schrijft dat [naam 1] de incasso-opdracht heeft ingetrokken en dat de betalingen van [naam 1] onverwijld als onverschuldigd moeten worden terugbetaald.
2.9.
In reactie daarop deelt Juristu op 8 maart 2024 aan Aliter Melius mee dat de kosten voor het opstellen van de dagvaarding niet voor restitutie in aanmerking komen en dat de betaalde voorschotfactuur gerestitueerd zal worden.
2.10.
Vervolgens schrijft Aliter Melius op 8 maart 2024 aan Juristu dat alle door [naam 1] betaalde gelden onverschuldigd zijn, dat Juristu wanprestatie heeft geleverd en dat [naam 1] met het intrekken van de opdracht de overeenkomst heeft ontbonden. Daarbij is Juristu gesommeerd om uiterlijk binnen veertien dagen na heden over te gaan tot volledige restitutie en is aangezegd dat anders rechtsmaatregelen getroffen zullen worden en dat de kosten daarvan volledig op Juristu verhaald zullen worden.
2.11.
Op 22 maart 2024 is in deze zaak de dagvaarding van [naam 1] aan Juristu betekend.
2.12.
Juristu heeft op 22 maart 2024 een bedrag van € 1.078,19 betaald aan [naam 1] . Dit bedrag specificeert Juristu in een die dag aan [naam 1] gezonden e-mail als volgt: één procespunt à € 82,00, voorschot deurwaarderskosten à € 455,00, betekeningskosten à € 138,87 en dagvaardingskosten à € 402,32.

3.Het geschil

3.1.
[naam 1] vordert, na wijziging van eis, (terug)betaling van € 21,18, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 423,50 vanaf 20 oktober 2023 tot de dag der algehele voldoening en over € 455,00 vanaf 1 januari 2024 tot en met 22 maart 2024. Verder vordert [naam 1] een verklaring voor recht dat Juristu schuldig is aan nalatigheid en/of wanprestatie heeft gepleegd tegenover [naam 1] , althans dat Juristu onrechtmatig heeft gehandeld door de incasso-opdracht niet (naar behoren) uit te voeren. [naam 1] vordert ook dat Juristu wordt veroordeeld in de (resterende) daadwerkelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand van € 1.128,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2024, en in de (buiten) gerechtelijke (incasso)kosten en nakosten, met uitzondering van de betekeningskosten van € 138,87 die al door Juristu zijn betaald.
3.2.
Juristu voert verweer. Zij vindt dat de vordering van [naam 1] moet worden afgewezen en wil dat [naam 1] in de proceskosten wordt veroordeeld.

4.De beoordeling

4.1.
Na de vermindering van eis vordert [naam 1] een hoofdsom van € 21,18. De oorspronkelijk gevorderde hoofdsom bedroeg € 878,50. Dit is het totaalbedrag van de facturen die [naam 1] aan Juristu heeft betaald voor het opstellen van een dagvaarding (€ 423,50) en als voorschot voor deurwaarderskosten en griffierecht (€ 455,00). Vast staat dat Juristu op 22 maart 2024 een bedrag van € 1.078,19 aan [naam 1] heeft betaald. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Juristu met deze betaling het voorschotfactuurbedrag van € 455,00 volledig aan [naam 1] heeft terugbetaald.
4.2.
Ten aanzien van het factuurbedrag van € 423,50 stelt [naam 1] terecht dat Juristu volgens haar betaalspecificatie in een e-mail van 22 maart 2024 om 16:07 uur schrijft dat € 402,32 is betaald voor de post ‘dagvaardingskosten’. Hoewel Juristu op 22 maart 2024 méér heeft betaald dan de gevorderde hoofdsom, betekent dit dat daarvan formeel € 21,18 (€ 423,50 – € 402,32) niet is terugbetaald. In de wet is namelijk bepaald dat een betaling wordt toegerekend op de verbintenis die de schuldenaar bij de betaling aanwijst. [1]
4.3.
Juristu heeft niet toegelicht waarom zij € 402,32 in plaats van € 423,50 aan [naam 1] heeft terugbetaald. Juristu stelt wel dat [naam 1] geen belang meer heeft bij haar vordering omdat zij € 1.078,19 heeft betaald [2] en dat zij in het kader van de beëindiging van de opdracht op 22 maart 2024 het voorschot en de dagvaardingskosten heeft terugbetaald. [3] Dit is in lijn met de e-mail die Juristu eerder op 22 maart 2024, om 14:05 uur, aan [naam 1] heeft gestuurd, waarin zij uitdrukkelijk schrijft dat de facturen van € 455,00 en € 423,50 die dag zullen worden teruggestort. Gelet op deze stellingen en stukken neemt de kantonrechter aan dat Juristu op 22 maart 2024 de bedoeling had om beide factuurbedragen volledig aan [naam 1] terug te betalen, en bij de uitvoering daarvan een vergissing heeft gemaakt. Dit leidt ertoe dat de vordering van [naam 1] tot terugbetaling van het resterende bedrag van € 21,18 als onbetwist wordt toegewezen.
4.4.
[naam 1] vordert ook wettelijke handelsrente over de oorspronkelijk gevorderde hoofdsom van € 878,50. De wettelijke handelsrente kan niet worden toegewezen, omdat [naam 1] geen nakoming van een handelsovereenkomst aan haar vordering ten grondslag legt. Artikel 6:119a BW is alleen van toepassing als de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst niet wordt nagekomen. Dat is hier niet aan de orde. Artikel 6:119a BW ziet niet op een situatie waarin sprake is van een verplichting tot schadevergoeding, een ongedaanmakingsverbintenis of een verbintenis uit onverschuldigde betaling. De wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro is wel toewijsbaar, maar alleen over € 21,18 en pas vanaf 23 maart 2024. Dit is de dag dat de betalingstermijn is verstreken die [naam 1] aan Juristu heeft gegeven in de ingebrekestelling van 8 maart 2024. [naam 1] heeft niet toegelicht waarom de rente verschuldigd zou zijn met ingang van de gevorderde ingangsdata, en een concrete eerdere verzuimdatum is niet gebleken.
4.5.
Verder vordert [naam 1] betaling van daadwerkelijk door haar gemaakte kosten voor juridische bijstand in deze kwestie. [naam 1] stelt dat deze kosten € 1.210,00 bedragen, waarvan Juristu op 22 maart 2024 € 82,00 heeft vergoed, zodat op dit punt een vordering van € 1.128,00 resteert. [naam 1] stelt dat zij door de handelwijze van Juristu genoodzaakt was een vordering in te stellen, dat de pre processuele werkzaamheden beperkt zijn gebleven, maar dat zij toch hoge kosten heeft moeten maken om Aliter Melius het dossier te laten bestuderen en een inhoudelijke dagvaarding op te stellen. Juristu voert hiertegen gemotiveerd verweer. Deze vordering van [naam 1] wordt afgewezen en de kantonrechter licht dit als volgt toe.
4.6.
Een vordering tot volledige vergoeding van de werkelijke proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is voor een gedaagde partij (zoals in dit geval Juristu) pas sprake als het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de eisende partij achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan pas sprake zijn als de gedaagde partij zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het recht van gedaagde partij om zich in rechte te verdedigen.
4.7.
De kantonrechter vindt dat in deze zaak geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door Juristu, in die zin dat zij [naam 1] volledig ten onrechte zou hebben gedwongen een procedure te voeren. [naam 1] heeft op 6 maart 2024 de incasso-opdracht ‘teruggenomen’ en op 7 maart 2024 heeft Aliter Melius aan Juristu meegedeeld dat [naam 1] zich tot haar heeft gewend. Vervolgens is Juristu op 8 maart 2024 gesommeerd om uiterlijk binnen veertien dagen na heden over te gaan tot volledige restitutie, waarbij is aangezegd dat anders rechtsmaatregelen getroffen zullen worden en dat de kosten daarvan volledig op Juristu verhaald zullen worden. Het ging in die fase alleen over restitutie van de factuurbedragen van in totaal € 878,50. Vast staat dat Juristu op 22 maart 2024, dus binnen de door [naam 1] gestelde termijn, een bedrag van € 1.078,19 aan [naam 1] heeft betaald. Op 22 maart 2024 is ook de dagvaarding van [naam 1] aan Juristu betekend, terwijl de gestelde betalingstermijn toen nog niet was verstreken. Zo doende heeft [naam 1] voorbarig gehandeld. Dit komt voor haar rekening en risico.
4.8.
Verder is in dit verband van belang dat in de door Aliter Melius opgestelde dagvaarding en conclusie van repliek veel aandacht is besteed aan de werkwijze van Juristu in het algemeen en andere rechtszaken waarin Juristu partij was, die niet relevant zijn voor deze zaak. De zaak van [naam 1] is daarmee niet vergelijkbaar, omdat Juristu kort na beëindiging van de opdracht door [naam 1] en binnen de door Aliter Melius gestelde termijn een betaling heeft gedaan die de gevraagde restitutie oversteeg. Bovendien heeft [naam 1] geen specificatie gegeven van de gevorderde aanzienlijke kosten.
4.9.
De door [naam 1] gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen wegens een gebrek aan belang. Juristu heeft de gevorderde hoofdsom tijdig vrijwel volledig terugbetaald en de vordering ter zake het resterende bedrag van € 21,18 niet betwist, zodat dit wordt toegewezen. In dat licht bezien heeft [naam 1] onvoldoende toegelicht welk belang zij nog heeft bij een verklaring voor recht dat Juristu – voor zover juist – bij de uitvoering van de incasso-opdracht nalatig was, wanprestatie of een onrechtmatige daad heeft gepleegd.
4.10.
De kantonrechter ziet in de omstandigheid dat [naam 1] voortijdig tot dagvaarding is overgegaan, de betaling die Juristu heeft gedaan op 22 maart 2024 (waarbij zij € 82,00 voor salaris gemachtigde en € 138,87 voor betekeningskosten aan [naam 1] heeft vergoed) en de uitkomst van deze procedure aanleiding om de proceskosten tussen partijen verder te compenseren, in die zin dat iedere partij verder de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Juristu om aan [naam 1] te betalen een bedrag van € 21,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij – voor zover deze niet door de andere partij zijn vergoed – de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.
BvdL

Voetnoten

1.Artikel 6:43 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Zie punt 28 van de conclusie van antwoord
3.Zie punt 21, 24 en 25 van de conclusie van dupliek