Passagiers sloten een vervoersovereenkomst voor een vlucht van Dubrovnik via München naar Amsterdam. Door een vertraagde vlucht LH711 misten zij hun aansluitende vlucht en kwamen met meer dan drie uur vertraging aan op de eindbestemming. De passagiers droegen hun vorderingsrecht over aan AirHelp, die compensatie eiste van de vervoerder.
De vervoerder beriep zich op buitengewone omstandigheden als oorzaak van de vertraging, met name luchtverkeersleidingrestricties en vertragingen van voorgaande vluchten. De kantonrechter stelde vast dat 20 minuten vertraging het gevolg waren van buitengewone omstandigheden, maar wees het beroep op een extra minuut vertraging af omdat onvoldoende onderbouwd was dat dit buiten de invloedssfeer van de vervoerder lag.
De vervoerder kon niet aantonen dat de uiteindelijke vertraging van de passagiers het gevolg was van buitengewone omstandigheden, omdat zonder deze omstandigheden de passagiers de aansluitende vlucht alsnog hadden gemist. Daarom werd de vordering van AirHelp toegewezen en de vervoerder veroordeeld tot betaling van € 750,00 plus wettelijke rente en proceskosten.