De passagier had een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam via Frankfurt naar Philadelphia, waarbij de eerste vlucht vertraagd was uitgevoerd. Dit leidde tot het missen van de aansluitende vlucht en een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming. De passagier vorderde compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder voerde aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en dat alle redelijke maatregelen waren getroffen. De passagier betwistte dat laatste en stelde dat zij niet op de eerstvolgende alternatieve vlucht was omgeboekt, terwijl er volgens haar wel beschikbare plaatsen waren.
De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder onvoldoende had onderbouwd dat alle redelijke maatregelen waren genomen. Het enkele beroep op een automatisch boekingssysteem was onvoldoende om aan te tonen dat er geen eerdere alternatieven waren. Omdat de passagier met een vlucht werd omgeboekt die pas een dag later vertrok, werd het verweer van de vervoerder verworpen en de vordering toegewezen.
Daarnaast werd een redelijke vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegekend, maar niet het volledige gevorderde bedrag. De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van € 708,90 plus wettelijke rente en proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.