ECLI:NL:RBNHO:2024:11434

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 oktober 2024
Publicatiedatum
6 november 2024
Zaaknummer
9301492 \ CV FORM 21-4321
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004Verordening (EG) nr. 861/2007Art. 5 lid 1 Verordening 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening 261/2004Art. 7 Verordening 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieverzoek wegens vluchtvertraging door buitengewone omstandigheden

De passagiers vorderden compensatie wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vlucht van Ho Chi Minh City naar Amsterdam via Parijs was vertraagd vanwege de onverwachte sluiting van het Iraanse luchtruim, waardoor omvliegen noodzakelijk was.

De vervoerder stelde dat deze sluiting een buitengewone omstandigheid vormde en dat alle redelijke maatregelen waren getroffen, waaronder het omboeken naar de snelst beschikbare alternatieve vlucht. De passagiers betwistten dit en stelden dat een eerdere vlucht mogelijk was.

De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vertraging door buitengewone omstandigheden kwam en dat hij de passagiers adequaat had omgeboekt. De passagiers konden niet onderbouwen dat er andere opties waren. Daarom werd het verzoek afgewezen en werden de proceskosten aan de passagiers opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen vanwege buitengewone omstandigheden en het nemen van alle redelijke maatregelen door de vervoerder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9301492 \ CV FORM 21-4321
Uitspraakdatum: 30 oktober 2024
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker 1]
[verzoeker 2]beiden wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigden: mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
Air France,
gevestigd te Roissy, Frankrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 23 juni 2021;
  • het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 1 maart 2024.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 23 juni 2019 moest vervoeren van Ho Chi Minh City Airport, Vietnam, via Charles De Gaulle Airport, Parijs, Frankrijk, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie AF253 en KL1244.
2.2.
Vlucht AF253 van Ho Chi Minh City naar Parijs (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn van tevoren omgeboekt naar een alternatieve vluchtcombinatie vanaf Ho Chi Minh City. Daarmee zijn zij met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 217,80 dan wel € 181,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging gehouden is hen te compenseren met een bedrag van € 600,00 per persoon (artikel 7 van Pro de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij stelt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden (artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening).

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
In het vorderingsformulier hebben de passagiers aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen als de vervoerder reageert met stukken ter staving van zijn stellingen. Op grond van artikel 5 lid 1 van Pro de Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007 (EPGV-Verordening) zal de kantonrechter dit verzoek in het onderhavige geval weigeren omdat hij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak klaarblijkelijk geen mondelinge behandeling vergt.
4.3.
Volgens de vervoerder was de vertraging van de vlucht het gevolg van de onverwachte sluiting van het Iraanse luchtruim vanwege spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran, drie dagen eerder. Daarom moest de vlucht omvliegen, waardoor het van te voren bekend was dat deze met meer dan een uur vertraging zou worden uitgevoerd. Daardoor zouden de passagiers hun aansluitende vlucht missen. Daarop heeft de vervoerder hen omgeboekt op de alternatieve vluchtcombinatie, aldus de vervoerder.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vlucht vertraagd is uitgevoerd vanwege de onverwachte sluiting van het Iraanse luchtruim en dat hij de passagiers daarom bij voorbaat heeft omgeboekt. De sluiting van het Iraanse luchtruim is een omstandigheid die niet inherent is aan de uitoefening van de normale activiteit van de vervoerder en hij kan hier ook geen daadwerkelijke invloed op uitoefenen. Daarom is de vertraging het gevolg van buitengewone omstandigheden.
4.5.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen of te beperken. De vervoerder stelt in dit verband dat hij de passagiers heeft omgeboekt naar de snelste beschikbare alternatieve vluchtcombinatie. De passagiers betwisten dit en voeren aan dat hij hen ook had kunnen omboeken op een eerdere vluchtcombinatie. De vervoerder brengt hier tegenin dat er geen plaatsen beschikbaar was op deze vluchten.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder voldoende heeft onderbouwd dat hij de passagiers heeft omgeboekt naar de snelst mogelijke alternatieve vluchtcombinatie. De passagiers hebben daartegenover onvoldoende onderbouwd dat er plaats was op de door hen genoemde alternatieve vluchten. Zij hebben ook niet aangevoerd wat er onder deze omstandigheden meer of anders van de vervoerder kon worden verwacht. Daarom moet de conclusie luiden dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken. Dit betekent dat het verzoek van de passagiers zal worden afgewezen.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat zij in het ongelijk worden gesteld. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, als betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 204,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, als betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van deze beschikking;
5.3.
verklaart deze beschikking – wat de proceskosten betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open