Eisers sloten op 4 juli 2019 een aanneemovereenkomst met De Prefabriek voor de realisatie van een prefab aanbouw aan hun woning, bestemd als keuken. Tijdens de bouw bleek dat de doorgang lager moest worden dan voorzien, waarop eisers kozen voor verlaging. De aanbouw werd geplaatst in december 2019 en eind mei 2020 afgerond. Eisers verbouwden de aanbouw verder zelf.
In maart 2020 uitten eisers hun onvrede over de lage doorgang. In januari 2021 lieten zij een bouwkundig rapport opstellen dat bevestigde dat de stalen balk hoger had kunnen worden geplaatst tegen herstelkosten. Eisers sommeerden De Prefabriek tot herstel of vergoeding, maar De Prefabriek wees aansprakelijkheid af en stelde verjaring van de vordering.
De rechtbank oordeelde dat de oplevering stilzwijgend was aanvaard en dat de verjaringstermijn van twee jaar na protest geldt, ook voor vorderingen tot vervangende schadevergoeding. Omdat eisers pas in november 2023 opnieuw aanspraken, was de vordering verjaard. De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde eisers in de proceskosten.