Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, ILT, verweerder
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
In bovenstaande constructie is [naam boot 2] aangeduid met een J en [naam boot 1] aangeduid met een B.
Duwstel:hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, (…).Hecht samenstel:een duwstel of een gekoppeld samenstel.
Verweerder stelt daartegenover dat [naam boot 1] wel voldoet aan de definities, omdat [naam boot 1] motoraandrijving gebruikte en omdat één duwbak geplaatst was vóór [naam boot 1] .
Volgens verweerder is verder niet relevant wat de bijdrage van [naam boot 2] was, er is immers geconstateerd dat [naam boot 1] zorg droeg voor de voortbeweging van het samenstel.
Ter zitting heeft eiser verder nog toegelicht dat de samengestelde wijze waarop werd gevaren, met assistentie, geen ongebruikelijke gang van zaken is in de praktijk. Verweerder heeft dit bevestigd.
Namens verweerder is nog aangegeven dat gemachtigde Bijkersma zo’n vijf jaar geleden betrokken is geweest bij een werkgroep ter advisering van de toezichthouders met betrekking tot dit soort samenstellen. Desgevraagd is verklaard dat dit niet heeft geleid tot het formuleren of bekendmaken van een beleidsregel.
dient voorhet voortbewegen van het samenstel’. De rechtbank acht dat van belang, omdat in de definitie van een ‘hecht samenstel’ onderscheid gemaakt wordt tussen ‘een duwstel of een gekoppeld samenstel’.
Alhoewel een toelichting op de regelgeving ontbreekt, zal daarin het doel van deze regelgeving zijn gelegen, alsook de reden waarom de wetgever in een punitieve sanctie heeft voorzien. In dat verband hecht de rechtbank belang aan de bevestiging ter zitting namens verweerder dat de constructie (het samenstel) waarmee werd gevaren ten tijde van de constatering als ‘veilig’ wordt beschouwd. Onder die omstandigheden, mede indachtig de eigen stelling van verweerder dat [naam boot 1] een ‘aandeel in de voortbeweging’ had, is het lastig te volgen waarom verweerder vervolgens stelt dat de rol van [naam boot 2] in het samenstel niet relevant zou zijn en buiten beschouwing is gelaten.
Daarmee komt de vraag op of de gestelde norm voldoende duidelijk is.
De conclusie is dat in dit geval te veel onduidelijkheid bestaat over de vraag of hier wel sprake is geweest van een overtreding als bedoeld in artikel 22 van Pro de Bvw. Het onder die omstandigheden toch opleggen van een punitieve sanctie acht de rechtbank in strijd met de rechtszekerheid.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;