Uitspraak
RECHTBANK
hierna te noemen: verzoeker.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker diende op 16 mei 2024 een wrakingsverzoek in tegen mr. B. van Walderveen, rechter in een belastingzaak, nadat hij meende dat de rechter zijn ingediende bewijsstukken niet in aanmerking had genomen en onvriendelijk tegen hem had gesproken. De rechter betwistte dat er een wrakingsverzoek was gedaan en stelde dat het verzoek voortkwam uit teleurstelling over de uitkomst van de hoofdzaak.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek ontvankelijk was, omdat het tijdig was ingediend kort na de zitting en voor het wijzen van de einduitspraak. De beoordeling van het verzoek vond plaats aan de hand van de subjectieve en objectieve toets van onpartijdigheid, zoals voorgeschreven in artikel 8:15 en Pro 8:16 Awb.
De kamer concludeerde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende waren om te vermoeden dat de rechter partijdig was. De procedurele beslissing van de rechter om stukken niet als bezwaarschrift te kwalificeren kan geen grond voor wraking zijn. Ook het ervaren onvriendelijke gedrag van de rechter was niet voldoende om het verzoek toe te wijzen.
Daarom wees de wrakingskamer het verzoek af en bepaalde dat de hoofdzaak met zaaknummer HAA 23/4620 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens onvoldoende grond voor onpartijdigheid.