De rechtbank Noord-Holland heeft op 1 november 2024 uitspraak gedaan over een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft al zeven maanden bij de grootouders van vaderszijde, omdat de moeder onvoldoende veiligheid en zorg biedt.
De Raad maakte zich zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van de minderjarige bij de moeder en het gebrek aan aansluiting op haar ontwikkelingsbehoeften. De moeder heeft moeite met het naleven van afspraken en het accepteren van hulpverlening, mede door een belast verleden. De vader wordt aangemoedigd een grotere rol te nemen in de opvoeding.
De moeder heeft geen bezwaar tegen de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de minderjarige al vrijwillig bij de grootouders woont. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Gezien de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het belang van continuïteit, wordt de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden toegewezen.
De rechtbank benadrukt dat de machtiging nodig is zolang niet duidelijk is wat nodig is om de minderjarige weer bij de moeder te laten wonen. De moeder wordt aangespoord goed mee te werken aan hulpverlening en samen te werken met de jeugdbeschermer. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.