ECLI:NL:RBNHO:2024:11834

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
C/15/355085 / HA ZA 24-414 incident
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot tussenkomst executeur in erfrechtelijke nalatenschapszaak

In deze civiele erfrechtelijke procedure vorderen eiseressen een verklaring voor recht dat een concept testament als wettig moet gelden. Gedaagde 1 verzoekt om tussenkomst in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap, met een aanvullende vordering tot erkenning van een vordering op de nalatenschap.

De rechtbank oordeelt dat de executeur slechts bevoegd is tot vertegenwoordiging van de nalatenschap voor beheerstaken, niet voor verdeling of geschil over testamentaire rechten. Daarom wordt de vordering tot tussenkomst afgewezen en wordt de executeur niet-ontvankelijk verklaard in haar eis.

Eiseressen hebben een aanvullende vordering ingesteld tot het verstrekken van stukken aan gedaagde 1 privé en als executeur. De rechtbank verklaart deze vordering voor zover gericht tegen de executeur niet-ontvankelijk en verwijst de zaak voor zover gericht tegen gedaagde 1 privé naar de rol voor verdere behandeling.

De proceskosten van de vordering tot tussenkomst worden aan gedaagde 1 opgelegd. De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten in het door eiseressen ingestelde incident aan en houdt verdere beslissingen aan in de hoofdzaak.

Uitkomst: De vordering tot tussenkomst van de executeur wordt afgewezen en zij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar eis.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/355085 / HA ZA 24-414
Vonnis in incident van 13 november 2024
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonende te [plaats 1],
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats 2],
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat mr. E. Maarsen-Neumann te [plaats 2],
tegen
[gedaagde 1],
wonende te [plaats 3],
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. J.F.M. Kappé te Amsterdam,
en
[gedaagde 2],
in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater],
wonende te [plaats 3],
eiseres in het incident,
advocaat mr. J.F.M. Kappé te Amsterdam,
Partijen zullen hierna [eisers], [gedaagde 1] privé en [gedaagde 2] executeur genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 14
  • de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering tot tussenkomst alsmede conclusie van eis in het incident met producties 1 t/m 6
  • de conclusie van antwoord in het incident met producties 15 t/ 17 van de zijde van [eisers]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering in de hoofdzaak

2.1.
[eisers] vorderen – kort gezegd – een verklaring voor recht dat het concept testament van 8 september 2023 opgesteld door [betrokkene] notariaat in Haarlem heeft te gelden als wettig opgemaakt notarieel testament van erflater en [eisers] te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente.

3.De vordering in de incidenten

3.1.
[gedaagde 1] vordert dat haar wordt toegestaan, naast dat zij al in privé gedaagde is in deze procedure, ook in haar hoedanigheid van executeur in de hoofdzaak tussen te komen.
3.2.
Indien de tussenkomst wordt toegestaan dan vordert [gedaagde 1] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat zij in privé een vordering op de nalatenschap van erflater heeft van € 57.500,-. Daartoe heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat zij in hoedanigheid van executeur gehouden is schulden van de nalatenschap te voldoen en zij daarom belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht.
3.3.
[eisers] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde 1] privé alsmede van [gedaagde 2] executeur.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in het incident.

Afwijzing vordering tot tussenkomst

4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering tot tussenkomst moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
4.2.
Voor toewijzing van een verzoek tot tussenkomst is vereist dat benadeling of verlies dreigt van een aan een derde toekomend recht, welke benadeling of welk verlies deze derde wenst te voorkomen. In dit verband is mede van belang of de partij die tussenkomst vordert – mede in het licht van doelmatigheid en proceseconomie – een redelijke grond heeft om voor het door hem gestelde recht of belang, dat op zichzelf ook in een afzonderlijke procedure had kunnen worden ingeroepen, op te komen in het onderhavige proces, mede in aanmerking genomen de belangen van de partijen tussen wie de reeds aanhangige procedure loopt.
4.3.
De vordering in de hoofdzaak ziet op de vraag aan welk (concept) testament uitvoering moet worden gegeven bij de verdeling van de nalatenschap. Het gaat hierbij met name om de vraag in welke mate partijen gerechtigd zijn tot de nalatenschap. De taak van de executeur ziet niet op verdeling van een nalatenschap, maar op het beheer van de nalatenschap (waaronder voldoening van schulden van erflater). Door het beheer wordt de nalatenschap gereed gemaakt voor de verdeling. De wettelijke bepaling dat de executeur bij uitsluiting bevoegd is om de nalatenschap in rechte te vertegenwoordigen, is beperkt tot de beheerstaken van de executeur. Dat is hier niet aan de orde. De vordering in incident tot tussenkomst zal daarom worden afgewezen.
Eis in het incident
4.4.
[gedaagde 1] heeft in haar hoedanigheid van executeur een eis in het incident ingesteld. De rechtbank zal [gedaagde 1] niet-ontvankelijk verklaren in die vordering. Zoals onder 4.3 overwogen is de vordering tot tussenkomst niet toewijsbaar. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde 1] haar hoedanigheid van executeur geen vorderingen in deze procedure kan indienen.
De ingestelde vorderingen bij conclusie van antwoord in het incident
4.5.
In reactie op het incident tot tussenkomst hebben [eisers] bij conclusie van antwoord in het incident een aanvullende vordering ingesteld die – kort gezegd – ziet op het veroordelen van [gedaagde 1] privé en ook in hoedanigheid van executeur tot het verstrekken van kopieën van verschillende stukken, waaronder bankafschriften en belastingaangiften.
4.6.
De rechtbank zal [eisers] deels niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering. Voor zover de vordering is ingesteld tegenover [gedaagde 2] executeur geldt dat de vordering in het incident tot tussenkomst is afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde 2] executeur geen partij wordt in deze procedure, waardoor het niet mogelijk is een vordering tegen haar in te stellen.
4.7.
Voor zover de vordering is ingesteld tegen [gedaagde 1] privé geldt dat [gedaagde 1] nog niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op deze vordering in het incident. De rechtbank zal [gedaagde 1] privé daarom alsnog in de gelegenheid stellen te reageren op de vordering tot het verstrekken van diverse stukken. De zaak in het incident zal hiertoe worden verwezen naar de rol van 27 november 2024.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde 1] wordt in het ongelijk gesteld in het door haar ingestelde incident tot tussenkomst en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
  • salaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief € 614,00)
  • nakosten
Totaal € 792,00
4.9.
De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten in het door [eisers] ingestelde incident aan.

5.De beslissing

De rechtbank
in de incidenten
5.1.
wijst de vordering tot tussenkomst af,
5.2.
verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun vorderingen als ingesteld bij conclusie van antwoord in het incident voor zover gericht tegen [gedaagde 1] hoedanigheid van executeur,
5.3.
verwijst de zaak voor zover de vorderingen van [eisers] zijn gericht tegen [gedaagde 1] privé naar de rol van
27 november 2024voor conclusie van antwoord in het incident,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] de proceskosten van € 792,00 in het incident tot tussenkomst, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde 1] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.5.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
houdt de beslissing over de proceskosten in het door [eisers] ingestelde incident aan,
in de hoofdzaak
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2024. [1]

Voetnoten

1.type: 1589