De passagiers sloten een vervoersovereenkomst met United Airlines voor een vlucht van Amsterdam via Chicago naar Denver. De vlucht UA908 was vertraagd, waardoor twee passagiers hun aansluitende vlucht misten en ruim vijf uur later aankwamen dan gepland. Twee andere passagiers kwamen met een vertraging van 3 uur en 37 minuten aan in Chicago.
De passagiers vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, waarbij zij aanspraak maakten op €600 per passagier voor de eerste twee en €300 per passagier voor de andere twee. United Airlines verweerde zich met een beroep op buitengewone omstandigheden, waaronder personeelstekort en instructies van de luchtverkeersleiding.
De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder onvoldoende had onderbouwd welk deel van de vertraging aan de drukte op Schiphol te wijten was. Wel werd erkend dat de vertraging van 50 minuten door luchtverkeersleiding als buitengewone omstandigheid geldt. Hierdoor werd de vordering van de eerste twee passagiers toegewezen, maar die van de andere twee afgewezen omdat hun netto vertraging minder dan drie uur bedroeg.
De gevorderde incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van extra werkzaamheden. Ook de vordering tot afgifte van een certificaat werd afgewezen wegens gebrek aan belang. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.