De passagiers sloten een vervoersovereenkomst met Deutsche Lufthansa voor vluchten van Miami via Frankfurt naar Amsterdam. Door vertraging van de eerste vlucht misten zij hun aansluitende vlucht en arriveerden meer dan drie uur later dan gepland.
De passagiers vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder stelde dat een deel van de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, zoals restricties van de luchtverkeersleiding en vertraagde gate-toewijzing.
De kantonrechter oordeelde dat slechts 37 minuten van de vertraging buitengewone omstandigheden betrof en dat de eerste vertraging door niet-buitengewone omstandigheden werd veroorzaakt. Hierdoor bleef de vervoerder aansprakelijk voor compensatie. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van €1.200 plus wettelijke rente en proceskosten, terwijl het verzoek tot afgifte van een certificaat werd afgewezen wegens gebrek aan belang.